is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 2, 1928-1929, no 3, 15-11-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(piano, viool en violoncel) in Es, zijn cantate ~Mirjam’s Siegesgesang”, zijn oratorium ~Lazarus”, zijn dubbel mannenkoor ~Hymne an den Heiligen Geist” en als laatste werk zijn prachtige Mis in Es voor koor, soli en orkest, de laatste van het zestal dat de kerk van zijn geboorteplaats Lichtenthal hem had opgedragen.

In datzelfde jaar hadden zijn vrienden hem overreed om een concert te geven, en omdat Beethoven die een jaar te voren gestorven was, er nu niet meer was, wilde hij zich niet terugtrekken. Het programma luidde vertaald :

~Uitnoodiging voor het Concert, dat Franz Schubert op 26 Maart, ’s avonds 7 uur, in het lokaal van de Oostenrijksche Muziekvereeniging, ~Unter dem Tuchladen” No. 558, de eer heeft te geven.

I. Eerste deel uit een nieuw Strijkkwartet, voorgedragen door de heeren Böhm, Holz, Weiss en Linke.

2 a. Der Kreuzzug, van Leitner.

b. Die Sterne, van denzelfden.

c. Fischerweise, van Schlechta.

d. Fragment aus dem Aeschylus.

Gezongen door den heer Vogel, Keiz. Kon. Operazanger,

3. Standchen van Grillparzer, voor Sopraan en Koor, voorgedragen door Mejuffr. Josephine Frölich en de koorklasse van het Conservatorium.

4. Nieuw klaviertrio, (in Bes), voorgedragen door de heeren Titzé en Lewy Jr.

5. Die Allmacht, lied met piano en hoorn, voorgedragen door de heeren Vogel en Tietzé.

6. Schlachtgesang van Klopstock, dubbelkoor voor Mannenstemmen. Alle werken zijn uit de composities van den Concertgever. Toegangskaarten zijn tegen drie gulden te bekomen bij de Muziekhandelaren Hasslinger, Diabelli en Leidensdorf.

Schubert speelde blijkbaar de pianopartij, aangezien deze niet vermeld stond. Dit concert vond grooten bijval. Ook financieel was het niet ongunstig: het bracht zuiver 800 gulden op, het eerste en laatste voordeeltje van eenig belang, dat gebruikt moest worden om nadeelén van slechte tijden te dekken. Alleen gunde Schubert zich de weelde om Paganini te gaan hooren, die kort daarop te Weenen kwam concerteeren. Hij betaalde vijf gulden en genoot volop. Kort daarop ging hij er nog eens heen. Hij vond het te duur, maar had aan een vriend, die er geen geld voor had en aan wien het zoozeer besteed was, beloofd, er met hem heen te gaan.

In dien tijd verschenen ook Handel’s koorwerken te Weenen en Schubert bestudeerde die met groote bewondering, herhaaldelijk uitroepende: ~wat hebben wij toch veel te leeren.” Hij liet het daarbij niet, maar zou begin November beginnen met lessen in het Contrapunt. Toen hij in September ziek was geworden, ruimde zijn broeder Ferdinand, die kort daarvoor als violist in Weenen was komen wonen, hem een plaats in zijn huis in. De arts constateerde zenuwkoorts, die wel iets beterde. Het huis van Ferdinand ~auf der Wieden" was echter zéér vochtig, wat den lijdenden Franz geen goed deed. 1 1 November moest hij te bed gaan, en zoo bracht hij de laatste negen dagen door. Toen hij nog in de Kettenbrückengasse op zichzelf woonde en ziek lag, had Lachner zijn ~Winterreise” bij Diabelli ge-