is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 3, 1929-1930, 1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hande leeuwenbekken waren opgekomen, wit, geel en purper, korenbloemen zochten moeizaam een scheutje licht en overal lagen plokken duizendschoon, wemelend van bloempjes. Daarboven schoten de paarsblauwe ridderspoor en monnikskap forsch naar den hemel en wiegelden bloedroode klaprozen. Tegen den muur en waar ’t maar houvast kreeg, klom Indische kers en ander klimgewas, ’t Was bar. ’n Minsch wordt daar bekant gek van, dacht Bart.

Maar Annigje is best tevreden.

Van ’t spaargeld heeft Bart den boedel opgeknapt; zonder dat ze er een schimmetje van wist kwam hij van een rit in ’t Utrechtsche weerom met allerhand gerei van een rijk boelhuis, blinkend spul voor den zuivel, fijnouderwetsche pulletjes, zoowaar een klok met slagwerk en een zware notenhouten kast voor de opkamer. In de wei loopt tusschen het vee veel nieuwkoop. Groninger blaarkopslag, zwart met witte plekken, juist zooals de vrouw ’t mooi vond. Van Gerrit de Pauw, een verren naneef, kwam ie terug met een lichtbruinen voshengst van beschreven bloed, een jong peerd maar al werksch en trantel voor den wagen.

Bart heeft het nu danig druk op den dag, maar ’s avonds zitten ze samen in het prieel en soms vrijen ze in ’t open licht of het nog voor ’t eerst is. Hij is een vurige vent en gaarne laat Annigje zich grijpen door z n sterke handen, welke haar nijpen of ze ’t besterven moet. Bart is roerig nadien en gaat een eindje loopen, maar zij blijft gaarne nog even zitten om te staren naar de zon, welke nu in reuzenvlammen statig op den einder daalt en daar, achter luchtige violette gordijnen, een hemel van gloeiend goud openbreekt. Als die pracht eindelijk verzinkt, wasemt over den dijk dunne damp van de wetering, weldra stijgt de nevel uit alle slooten, wit en wollig, en rolt uit over het grasland, vervloeiend als een stille zee tot bij de woning. Bart wil dan naar binnen. Maar ze vleit om een kwartiertje, ’t wordt nu juist zoo vreemd buiten en daar houdt ze van. Den ganschen nacht door wil ze wel blijven zitten, d’r hoofd op zijn bonkige schouder. Een geheimzinnig leven komt.... wat een geluiden hoort ze hier. Kikkers kworrelen en kwaken ineens gezamenlijk luid op alsof de heele wereld het vernemen moet. Je gaat er om lachen en toch is ’t ernstig omdat het leven is, leven dat God bestiert. Als het hunne. In de verte blaffen honden en schreeuwen kievieten klagelijk. Die zijn d’r nest kwijt, denkt ze meewarig. Vlak voor d’r voeten trekt een rat haar kabbelend spoor door het donkere water en als Bart lomp met z’n klomp stampt, duikt het dierke ineens kwiek weg. Annigje nijpt hem fel in z’n arm, ze wil nu opeens geen ruwigheid meer van hem.

— Je bent een rare, zegt hij een beetje beschaamd, ze grave emmers de kante kapot en vrete de kuikens ook. Kom, me gane slape.

Onder de zachtfluisterende pereboomen loopen ze langzaam, stijf gearmd, naar de hoeve terug.