is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 3, 1929-1930, 1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesupprimeerde vorm

Eén vorm is slechts bestaanbaar, dus aannemelijk: de levende of kosmische vorm, die zich in onnoemelijke aantallen splitst. Levenlooze vormen erkennen we niet en zijn ten doode opgeschreven. De natuurvorm en de kunstvorm erkennen gezamenlijk den levenden oorsprong, de bron van alle Zijn. De onbewuste natuurvorm is de aanvang van den bewusten kunstvorm. Het natuurleven wordt getransformeerd in het kunstleven en zoo kunnen we dus spreken van één vorm, de kunstvorm tot supprematie gebracht.

De plastische vorm (kunstvorm) in de synthetische beeldhouwkunst, onbekend in de organische natuur, in welker structuur beiden verschillen en ieder voor zich een bepaalde eindfase bereikt, wordt pas erkend bij een naar alle richtingen georiënteerd gedachte-leven, als vast-omlijnd Idee eener cultuur, in een gemeenschappelijk dogma, waardoor de plastische vorm gestijld is, dus een stijl heeft.

Plastiek is dus de stolling van den naar alle richtingen uitstralenden, dus divergeerenden geest. In dit stadium heeft de vorm zijn hoogste spanning bereikt en beweegt zich inderdaad plastisch, dus drie-dimentionaal, in evenwicht in de ruimte. Zeg ik dus vorm, dan zeg ik leven, hetzij bewust of onbewust leven, want vorm is het leven-zelf, dat zich dus zelf vormt. De mensch-zelf is natuurproduct en heeft dus vorm. Hij onderscheidt zich echter van de in onnoemelijk aantal gesplitste overige natuurvormen, doordat hij twee naar zelfstandigheid dwingende vormen kan scheppen, die evenwel hun oorsprong hebben in dat ééne, wat wij als het Leven aanvaarden. Hij draagt zoogezegd het natuurlijke leven over op den natuurlijken en geestelijken vorm in kind en kunstwerk als nieuwe geboorten. Beide vormen, gesplitst, zijn niet los van elkaar denkbaar als substanties, ') omdat zij het leven gemeen hebben; daaruit geboortig zijn. Zooals de religie haar dogmatischen vorm in godsdienst aanneemt, herkennen wij in de kunst haar vorm als stijl.

Thans te spreken van onzen tijd, die vorm en dogma bezit, is absurd, want dit zou het einde harer cultureele dracht beteekenen. Vorm en stijl en dogma dekken elkander in hoogste volmaking die menschelijkerwijze bereikbaar is.

1) „Onder substanties versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; d.w.z. datgene, welks begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.” Uit Ethica, Hoofdstuk 1, God van Spinoza.

VII