is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 3, 1929-1930, 1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we kunnen zeggen is, behoudens een enkele uitzondering, in de renaissance verloren geraakt. Rodin, die nooit zelf heeft ge-beeld-houwd in den steen, die niet heeft ~den steen opgevat als een ruimte, waar hij al worstelend in binnendrong om er zijn droom uit los te beitelen” (Spengler) ; Rodin beteekent dan ook voor de beeldhouwkunst der renaissancistische periode (d.w.z. in één naam samengevat wat historisch zich nog tot kleinere richtingen verbijzonderde) een einde, en zonder twijfel een grootsch en indrukwekkend einde; eenerzijds althans, want toch ook wist hij als ’t ware in grootschen greep verschillende essenties van het verleden te samen vattend weer vóór te bereiden en in eigen oeuvre te verwezenlijken een ontwaken van het plastisch besef, dat onder het verschraalde classicisme en de kille wezenloosheid van het academisme in vrijwel honderd jaren geen enkele kans meer had gekregen. Als figuur op het einde •van een ondergaanden tijd hij zelf kon als eenzame groote slechts jammeren om wat verloren gegaan was en tegen den schemer van een nieuw licht in krijgt hij echter de betekenis van een knooppunt. Meerdere van deze figuren heeft onze tijd voortgebracht. Ook Gustav Mahler was zulk een samenvatter, ondanks zijn tragische verwardheid en zijn vele weifelingen. In Rodin zoowel als in Mahler en met hen in vele andere eenzame kunstenaarsfiguren komen de reeds ontredderde geestelijke krachten van een tot ondergang gedoemde wereldbeschouwing tot een grootsch en indrukwekkend slot. Terecht zegt Havelaar in zijn in 1920 verschenen studie over Rodin: ~Rodin heeft geen school gesticht, geen althans in verhouding tot zijn beteekenis. Zijn Daad heeft geen voorbeeld kunnen zijn. Op zijn schepping viel niet verder te bouwen. Zijn geest heeft de jongeren bevrucht, werkt scheppend in hen voort, maar gereïncarneerd in vormen, die hij niet zocht, niet kende.

Als een Uebermensch is deze „eenzame” door het leven gegaan. De roem die na jaren van de bitterste miskenning, verguizing en spot zijn deel werd, heeft hem wellicht nog eenzamer gemaakt. Hij was de samenvatter van het glorieus verleden, dat de antieken voortbracht en den geest der Fransche kathedralen met hun sculpturale pracht. Hij zocht de kracht louter en alleen in zijn eigen egocentrische persoonlijkheid, een ontkenner was hij ten slotte, een Faustische natuur, deze rustelooze, trotsche en onbevredigende mensch, wiens ~onstuimig-vereenzaamde dadendrang” alle traditie afsloot en tegelijk alle zekerheid uitsloot.

Wel bij geen enkel werk beseft ge dat zoo sterk als staande voor den kolossalen Balzac, die tegelijk een eindpunt van de impressionistische plastiek en een einde van Rodin’s oeuvre beteekent. Want hiermede had hij alles wat essentieel in hem was gezegd. Deze Balzac kunt ge het beste vergelijken met een enorme nsvcholoerische ontlading.

Zijn levenlang heeft Rodin geleden onder de vereenzaming, welke toch mee het essentieele van zijn werk uitmaakt. ~Les sculpteurs, aujourd hui, sont les épaves sur un vaisseau perdu” was zijn klacht.

ökjll L ICO V V-O OUI WA* » WAOOWI.* V* “V ““ Dit werk doet ons verstaan het wanhoopsgebaar van den epigoon der renaissance. Het begin, het ongecompliceerde, eenvoudige, heldere beginnen was voor anderen weggelegd. Dat Rodin een belangrijke, ja onmisbare schakel is tusschen vroegere tijden en den opbloei der jonge plastiek, lijkt evenwel een zekerheid, die niet te weerspreken valt.

Haarlem, Juni '3O.

A. VAN DER BOOM