is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 4, 1930-1931, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Onverwachte

VOOR PIET.

en wordt wakker.

I -M Op de wekker is het half-acht. Hij kan dus nog één kwartier dommelen. Het bed is heerlijk warm. Hij gaat op zijn rug liggen en bekijkt het programma van den dag. Dinsdag, dertien Maart. Buiten regen. Gestadige regen. Niets bijzonders in ’t vooruitzicht. Schriften nakijken en jongens verbieden. En vervelende lessen: taal, rekenen, en aardrijkskunde. En Loek in Haarlem.

Loek!

Hij gaat rechtop zitten en kijkt naar het portret, dat boven zijn bed hangt. ~Schat”, zegt hij en gaat weer liggen.

Hij heeft toch wel een erg eentonig leven. Ten eerste is hij een wees, en ten tweede heeft hij heelemaal geen kennissen hier. En daarenboven is zijn meisje bijna nooit bij hem.

Opeens ziet hij het belachelijke van zijn zelfbeklag en tevens de rijkdom van zijn leven.

Glimlachend bekapittelt hij zich. Arme jongen, ik heb meelij met je. Stumper nog toe. Je hebt groot gelijk. Het leven valt niet mee. Je bent ook alleen maar gezond, en je hebt enkel maar een goeie baan. Je hebt niet eens problemen, en een schat van een meisje. Maar nou alle gekheid op een stokje: de nieuwe dag in!

Maar er blijft een gevoel van onbevredigdheid.

Als hij geknield voor zijn bed ligt, wordt hij zich dit bewust. En bevrijdt zich er van: ~lk had zoo graag iets bijzonders. lets anders. Het leven is zoo eentonig. Misschien is het niet goed, dat ik nog méér wil, ik heb al zooveel.”

Als de juffrouw om acht uur waarschuwt, is hij al aangekleed, en even later gaat hij fluitend naar beneden. Hij heeft haring bij zijn brood en constateert dat dit de eerste verrassing is.

Op school komt de tweede, maar ze is minder aangenaam. Hij moet de tweede klas waarnemen. Juffrouw Ravenswaay is ziek. Ben heeft anders de vierde en eigenlijk moet juffrouw Zwart ~twee” nemen, ~maar ze kan zoo moeilijk bij de kleintjes orde houden,” vertelt het hoofd hem in vertrouwen.

Dus stapt Ben naar ~twee”. Hij vindt het niet prettig. Hij is hier pas, en kent zijn eigen klas amper.

Als de kinderen binnenkomen, ziet hij de teleurstelling op hun gezichten, en één der meisjes vraagt hem na beraadslaagd te hebben met een stuk of wat vriendinnetjes: ~meester, komt de juffrouw niet?”

~Nee, meisjes, de juffrouw is ziek.”

„Hé wat jammer.”

De klas bevalt Ben. Het zijn prettige kinderen, en absoluut niet verlegen. Misschien wat tè vrij. Maar daar is het een klas van juffrouw van Ravenswaay voor. Collega s hebben hem al ingelicht. De baas is haar liever kwijt dan rijk. ’n Vrijbuitstertje.

V