is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 4, 1930-1931, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is even onkritisch te spreken van een zoogenaamde werkelijkheid vóór het denken, als het onkritisch is te spreken van een zoogenaamden klank vóór het oor. Er bestaat geen grooter dwaasheid dan de bewering, dat een klank ~wordt” gehoord of een kleur ~wordt gezien.

Wat bestaat er dan wél buiten onze zintuigen aan zakelijke gegevenheid? De trillingen op trommelvlies en netvlies. Maar een trilling op zich zelf is geen klank, het is evenmin een kleur. Evenmin is de werkelijkheid als zakelijk gegeven een begrijpelijkheid of een begrip buiten ons begrijpen zelf. Als zakelijk gegeven, als de x der ervaring, is de werkelijkheid de oorzaak, dat wij tot begrijpen komen. Meer is zij niet. Zij is een ~grensbegrip”, zooals Kant het noemt.

Dit is tenslotte het laatste antwoord, dat te geven is op de vraag der kennisleer. . . ,

Voor onze uitspraken over wat goed, schoon en vroom is, heeft het critisch denken geen bestaande werkelijkheid noodig. De problemen en verlegenheden der metaphysica, waarover vroeger gesproken werd, blijken geen problemen te zijn.

De geldigheid der ethische, aesthetische en religieuze oordeelen vinden hun eenige rechtvaardiging in de reine zelfgesteldheid, dat wil zeggen in de noodzakelijkheid, waarmee hun uitspraken worden aanvaard.

Het criterium van alle kenbaarheid blijft ongerept, óók ten opzidite van het zedelijke, schoone en vrome. De ware zin van onze kennis moet niet gezocht worden in datgene wat beoordeeld wordt, maar in het oordeelen zelf, in andere woorden: in de Idee. I

Dr. P. STERKMAN.