is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 4, 1930-1931, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lets over kijk- en hoorspelen

Het allereerste, het noodzakelijkste voor een tooneelvoorstelling is het stuk van den schrijver. Hiernaar wordt het tooneel opgebouwd, de regie bepaald, den spelers de handeling aangegeven naast het gesproken woord. Ofschoon alles op het tooneel meespeelt en we de tooneelaankleeding noode kunnen missen, blijft de gesproken tekst, aangevuld met de handeling der spelers, het hoofddeel van de vertooning. Tusschen deze is een zekere verhouding, die niet altijd dezelfde is, maar steeds zoo, dat de een de ander aanvult tot een gave voorstelling. Soms zelfs krijgt de handeling zoo’n groot deel, dat het woord overbodig wordt, als bij de pantomime.

Ook de werken, die in een voor ons onbekende taal worden gespeeld, moeten om verstaanbaar te zijn zeer sterke pantomimische kracht bezitten; d.w.z. een duidelijke, uiterlijke handeling. Dit is steeds een grove weergave, daar al het fijnere van de tekst in zijn uitspraak geheeld, niet wordt opgemerkt. Het volledige, fijn doorwerkte spel komt dus alleen tot ons door handeling en gesproken woord, ten innigste verbonden.

Zoo althans, wanneer het spel in een schouwburg, een besloten ruimte wordt gegeven en de zintuigen oog en oor beide in voldoende mate kunnen opnemen.

In de vrije lucht wordt de verbinding heel anders. Het stemgeluid verzwakt in de onbegrensde ruimte, wordt vaag en daardoor spoedig onverstaanbaar. Om toch een begrijpelijk geheel te krijgen, eischt het deel, dat door het oog tot ons komt, dus de uiterlijke handeling, een belangrijke versterking het spel moet meer de pantomime naderen.

Dat het daardoor innerlijk niet fijner wordt, is een andere zaak, maar wil een openluchtspel kans van slagen hebben, dan zal de uiterlijke handeling moeten overwegen en aan het woord een ondergeschikte plaats worden toegekend. Men vindt hierin de reden, waarom stukken, die in de schouwburg wel voldoen, dit bij een openluchtvoorstelling niet kunnen.

Het openluchttooneel eischt zijn eigen stuk, dat meer op het oog (uiterlijke handeling), dan op het oor (gesproken woord) is geschreven. Het moet naderen tot het filmspel

Een gelijk geval heeft men bij het spel voor de radio het hoorspel. Het opname-apparaat, in een schouwburgzaal opgehangen, zal een onbevredigende uitslag leveren, omdat alleen het gesproken woord overgebracht wordt, terwijl de handeling, het deel voor het oog, geheel achterop blijft. Dit tekort dient aangevuld en meer nog, ook het tooneel van handeling mag ons niet vreemd blijven. Geen wonder, dat een gewoon tooneelstuk kwalijk aan deze eischen kan voldoen. De gesproken tekst behoort hier alles te bevatten en van de overbrengende stem mag en moet men meer beelding eischen, dan van die van een gewone speler. Het opvoeren van het spel voor de radio is van geen belang, waardeerbaar alleen is het spel, oplevend in het stemgeluid van een of meer zeggers, die daarvoor bizondere gaven bezitten. M.i. moet een echt hoorspel, dat de eigenschappen voor het oor in zich heeft, die de film voor het oog bezit, nog geschreven worden en dan zullen de vertolkers ervan voorshands nog niet zeer tal- E. G. VAN BOLHUIS.