is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 4, 1930-1931, 1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen deze polen af en aan. Zones van afnemende intensiteit liggen om dit middenpunt gerangschikt. Als tusschen glazen wanden ligt het geheel binnen Rijksweg en westelijke verbindingsweg besloten. En evenals naar buiten het licht uitstraalt, zoo strekken zich, van dit middelpunt uit, ook over de begrenzing heen, de uitvalswegen, welke de omgeving (het Westland enz.) bestrijken.

De betrekkelijke gaafheid van deze vergelijking toont tevens de gaafheid der structuur van het uitbreidingsplan aan.

Wanneer deze echter niet overal zoo klaar aan den dag treedt, is dit te wijten aan verscheidene zwakke plekken in de uitwerking, welke den totaalindruk schaden.

Het projecteeren van hooge, gesloten bebouwingen op enkele plaatsen aan de buitenzijde (ten Zuiden der Kloosterkade, ten Zuiden van de baan der Westlandsche stoomtram, aan het verlengde van Buitenwatersloot en Brasserskade) lijkt in den aangegeven omvang niet juist en schaadt de tegenstelling tusschen kern en buitenwijk. Het projecteeren van bebouwing op bestaande sportterreinen (in den Krakeelpolder) als gevolg waarvan nieuwe sportterreinen verder weg geprojecteerd moesten worden, lijkt eer financieel dan economisch verantwoord en schaadt den indruk van de groene scheg, die tot den overweg Engelsche straat zou moeten doordringen.

Verscheidene uitvalstraten, vooral diegene die door beplante weteringen zijn verlevendigd, zijn tot uiterst minimale breedte teruggebracht en geven den indruk van rudimenten.

In de geschetste doorbraken mist men een verbinding van het geprojecteerde nieuwe stationsplein met het Oosten (Breestraat en langs deze verder naar de Oostpoort). Van de terecht geprojecteerde industrieweg ten Oosten van de spoorbaan naar Rotterdam ontbreekt de laatste kleine verbindingsschakel met den overweg aan de Engelsche straat, welke een bescheiden onteigening zou vorderen. Ook het weglaten van een tusschenschakel in de parallelstraat langs den Rijksweg ten Oosten van het St. Joris Buitengesticht, is een symptoom van klein beleid. En in het algemeen is in het plan veel te veel rekening gehouden met de hypothetische mogelijkheid tot exploitatie voor ieder particulier grondbezitter, terwijl deze achteraf toch wederom practisch slecht uitvoerbaar zal blijken, en reeds van te voren als oneconomisch kan worden veroordeeld.

Een principieele fout is het ten slotte, terreinen, tot op grooten afstand buiten de hoofdwegen gelegen, voor zeer open bebouwing te bestemmen. . . . met de bedoeling. . . . bebouwing zooveel mogelijk te beletten. Hier had het, onder de bestaande wettelijke regeling, alleen gepast deze terreinen buiten het uitbreidingsplan te houden, t.z.t. den grond, voor wandelwegen bestemd, aan te koopen of te onteigenen en medewerking te weigeren aan ieder plan voor straataanleg op deze terreinen, om daar-