is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 5, 1931-1932, no 6, 1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar nooit mogen we uit het oog verliezen, dat bij de eene kunst alle maatverhouding een statisch, bij de andere een dynamisch karakter draagt. In de verhandeling komen een aantal vet gedrukte woorden voor, welke tenslotte niets meer zeggen, dan dat er een beeldspraak is, dat er zegswijzen zijn, welke aangewend in een beschouwing over de toonkunst ongeveer hetzelfde uitdrukken als in de bouwkunst. Dat is eigenlijk niet meer dan een bezigen van overdrachtelijke en letterlijke beteekenis van woorden, wat welhaast mogelijk is bij ieder soort van onderwerp.

Laat ik verder trachten eenige geponeerde stellingen te weerleggen.

Allereerst dan de thesis, „dat de muziek bestaat uit de details, terwijl bij de arcbitectuur de details opvallen na den eersten indruk van de hoofdvormen.” Bedoeld wordt dus een tegenstelling (sic).

Formeel wordt hier de fout begaan, de twee termen van de tegenstelling verkeerd tegenover elkaar te plaatsen. Ik bedoel dit: b.v. Muziek bestaat uit de details, de Architectuur bestaat uit .... De schrijver zet, terwijl hij den nadruk legt op bestsiat, dus op iets, wat tot het wezen behoort, niet ook het wezen van den anderen kunstvorm daartegenover, doch met terzijdestelling hiervan, de aanschouwing van de kunstdaad.

Dit nu verder daargelaten, gaat de schrijver uit van een onwaarheid. Laat ik het anders zeggen: hij verwart schijn en wezen.

Alles, wat een geheel, een complex vormt, bestaat uit details. Waar de schrijver dus dacht een tegenstelling te ontwikkelen, wat in dit kader niet eens past, daar hij beloofde ~innig verband” aan te toonen , bewijst hij overenkomst. Maar een uiterlijke overeenkomst dan, welke eerst aanwijsbaar wordt, na het ondergaan van de werking der schepping. De scheppingsdaad, het geheel, brengt die werking teweeg en niet de onderdeelen. Waar de heer Brama zegt, de afzonderlijke tonen worden door den hoorder samengevoegd, is hij op zijn zachtst gesproken, onduidelijk in het weergeven van zijn gedachten. De muziek bouwt de details op in volgorde van den strijd tot een geheel. Dat samenvoegen is een onbewuste werking van en onzer zintuigen: het gehoor; zooals ook in ons oog een afgerond, architectonisch geheel reflecteert, alleenlijk en uitsluitend door de zintuigelijke functie van dat lichaamsdeel.

Ik moet nu eenigszins uitvoerig aanhalen, teneinde sommige dingen niet uit het verband te rukken, waarin ze werden geplaatst.

~Een enkele maal gebeurt het, dat een componist in zijn verbeelding klanken hoort, welke nog nooit voor dien tijd in werkelijkheid werden voortgebracht. Ik denk b.v. aan ongewone liggingen op verschillende speeltuigen en stemmen (falsets), het te pas brengen van nieuwe instrumenten (Joh. Strauss bracht de hobo d’amour, Rich. Strauss de windmachine), het tokkelen en knijpen van een snaar, het spelen met het hout op de snaren, enz. De uitvoerende musici moeten dan zijn aanwijzingen en voorschriften nauwkeurig opvolgen, wat veelal op allerlei bezwaren stuit, zoodat ze gaarne spreken van onuitvoerbaar.’

Dh. A. Brama springt wel een beetje lichtvaardig met aesthetisch waarheden cm en legt wat al te gemakkelijk verband tusschen sommige zaken. Zooals o.a. kan blijken uit den eersten zin, waarin hij zegt: ,,dat een Gom-