is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 5, 1931-1932, no 9, 1931

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goethe en de muziek

Een ieder weet, dat dit jaar er een is, waarin de tweehorfderdste geboortedag van Haydn, zoo goed als de honderdste sterfdag van Goethe is herdacht. De specifieke muziekbladen hebben beschouwingen gepubliceerd over Haydn en zijn werk, over dat groote genie, dat, autodidakt zijnde, het heeft gebracht tot een hoogte om werken voort te brengen van onsterfelijke beteekenis, om den vader te worden van de door hem zoo krachtig opbloeiende orkestmuziek.

Nog meer en meerzijdig is geschreven over Goethe, die in andere opzichten een groote beteekenis heeft verkregen voor vele opvolgende geslachten. Over zijn gedichten moge het oordeel verschillen, toch verheelt de scherpste critiek niet, zooals die van Henri Borel in het Vaderland, dat zich daaronder toch toonbeelden bevinden van nog steeds treffende schoonheid. Over zijn tooneelwerken moge verschil van meening bestaan, welk van deze een voorrang boven de andere verdient, over zijn wetenschappelijke studiën, hoelang deze een opvoedende plaats in de wetenschap zullen blijven vervullen, allen moeten het er wel over eens zijn, dat zoovele van zijn denkspreuken, in zijn stukken en vooral ook in zijn brieven neergelegd, van onschatbare waarde zijn voor dat deel der geheele menschheid, dat wil trachten iets meer van zijn leven te maken dan een voorbijgaand ijdel spel. De vruchtbare biograaf Emil Ludwig (al mogen zijn pennevruchten niet altijd ongerept zijn), heeft in elk geval een hoogst verdienstelijk werk gedaan met zijn nieuwste boek: ~Goethe’s Lebensweisheit , bevattende in 24 hoofdstukken een oneindigen schat van citaten, waaruit Goethe’s zorgvuldig en veelzijdig denken duidelijk naar voren komt, waardoor van Goethe mag worden gezegd, dat hij een Denker in den schoonsten zin mag worden genoemd.

Het moge niet ongepast zijn, om in een muzieknummer van dit tijdschrift ook iets te zeggen van Goethe’s verhouding tot de Muziek.

Van groote mannen, groote denkers in de eerste plaats, wordt zoo gaarne gedacht en gewenscht, dat die grootheid zich openbaren mocht in alles wat zij ontmoeten. Men vergeet daarbij allicht, dat juist bij de veelzijdigheid de critiek kan volgen op sommige van die punten. Reeds de oude Romein Cato heeft al gezegd, dat alle groote mannen moeten worden beschouwd in het verband van hun tijd, van hun omgeving. Henri Borel in zijn bovengenoemde scherpe critiek, noemt het onwaardig in Goethe, dat hij van zijn grooten tijdgenoot Beethoven weinig notitie heeft genomen, dat hij de schoone liederenzetting van Schubert in 1819 geheel onbeantwoord heeft gelaten. De waarheid is, dat de 1 Be eeuw, in Duitschland althans, de eeuw der vocale muziek moet worden genoemd. De Duitsche Opera was op het einde van die eeuw pas in haar eerste stadium. De Italiaansche opera vierde algemeen hoogtij. Gluck had in Weenen met zijn Duitsche operaproeven geen succes en ging naar Parijs, om daar, trots geweldigen tegenstand, de Fransche opera te vestigen. Mozart schreef Italiaansche opera’s, slechts in zijn laatste jonge levensjaren één Duitsche, Die Zauberflöte, tegen 1 790.