is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 6, 1932-1933, no 4, 1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga zelf. Altijd op die rotfiets.’

„Denk er om kind; ’k ben je moeder.”

Zoo ging ze soms huilende naar bed.

Dat was nog gekker.

De klanten groeiden tot mannen en vrouwen en begeerige jongens, en eindelijk werd de nieuwe mensch ontdekt met gefluit en geroep, en zij antwoordde graag en luid, als meisjes die willen en niet weten wat.

— Haar moeder was weduwe en handelde in haring. Als ze schooljuffrouw was geweest of op de H.B.S. had gegaan zou ze voor dit vuur wel een bliksemafleider gevonden hebben, — een reis, sport of een gereglementeerd vrijerijtje met een goedige buurjongen. Was ze godsdienstig geweest, ,,fijn”, dan had ze de bedreiging gekend van het helsche vuur voor de booze lusten van het vleesch.

Maar dat was ze niet. Ze handelde in harng. Zure, zoute, rolmops, maatjes. Haberlin, Freud, Künkel en dergelijke waren even onbekend als Zuid-Amerikaansche sluiervisschen. Haring.

~Moet ’k heel m’n leven zoo blijven loopen?”.

Dan antwoordde ze: „Meid je fietst en je hebt 20 pop in de week. ” — Maar langzaam groeide de angst. Ze was ook jong geweest. Ze gaf toe. Op bed lag een nieuwe jurk en een hoedje, onder de stoel stonden schoenen . . . . Kousen waren vergeten. Dat was potdorie geen kleinigheid. Vijf teenen werden vijf gaten.

Toch waarschuwde ze op een avond:

~Samen dol.

de man de 101.

de vrouw. . . . Nou, kijk uit, zeg ik je, meid, kijk uit!”

~Wat heeft dat ’r nou mee te maken?” antwoordde de gelukkige. En ze meende het.

Wie verwijt de aarde dat ze bloeien wil? De lentebronst van planten en dieren? De lokroep van den vogel en de dartele overmoed van alles wat jong is en leeft? Maar zij was een ruw hout dat uitbotten wil zonder de fijne twijgen te hebben waarop de wind zingen moet. Ze was een lompe kraai die de merelslag zoekt na te doen. Haar stem was te ruw, haar verlangen te groot voor een spel, te onbetoomd haar drift, dat ze weten zou waarom een vogel wegvliegt en de meisjes op straat hun hoofd afwenden. Soms groeide berouw. Hoeveel had deze avond verkocht kunnen worden? Oude vrienden van het vak spietsten hun pruim tabak op de keien, en zagen haar aan:

~Wat ben jij van plan, meidje?” Dan zei ze: ~Niks!” Ze had geen plan. Ze lag te grijp.

Ook was ze wel eenzaam. Een verdwaalde in de feestelijk verlichte winkelstraten. Een ongesneden pion in het schaakspel van den avond. Dametjes, zoekend naar wat zij zocht, liepen haar proestend voorbij.

Ze zei ~stik!” Maar ach, later keek ze om, ze wilde wel mee.

Ze liep wat voorover. Haar stappen waren langzaam en veel te groot. Met haar armen wist ze geen raad. Toch hield ze vol. Ze kreeg haar zin. Toen kwam er een tijd, wild en vol tumult. Geluk. Angst. Teleurstelling. Ze speelde hartstochtelijk en overmoedig. Eén die zich niet bekommert