is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 6, 1932-1933, no 4, 1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat liep gemakkelijker, haar kousen, twee recht twee averecht, lekker warm. ~Nou kan je bakkeeee!” Een stem als een man. ... En toch. . . . Ze lachte tegen een kind.

Toen zag ze hem. Een wilde vreugde doorsloeg haar. ... hij. . . . hij ... .

Ze sprong van haar fiets, n harde klets van haar te groote voeten. Aan haar hand voelde ze de vettige brei van schoongemaakte visch. Haar schort was van voren rood en stuk. Geld rammelde.

Ze werd verlegen. Zou ze.... ?

Maar dan brak de blijdschap en de liefde door. ’t Verlangen en de herinnering naar zooveel zachtheid en ’t wonder van gister. Ze riep. Hij hoorde niet, was te ver en met twee makkers. Toen liet ze haar kar in de steek. De straat werd een vreemde weg boomen, water, maan.

Ze duizelde Roepen Hoorde hij niet?

Bij de hoek draaide hij zich om, hij en z’n makkers. Daar zetten ze hun handen aan den mond:

~Haaaaring!!” . ... en verdwenen. Lachen kletste door de lucht

Langzaam sloegen de huizen dicht boven haar hoofd. Haar handen kras-

ten over haar schort.

Wat viel er nou. ... zij ... . of de straat? . . . .

Op de verlaten kar sprong een kat....

H. M. VAN RANDWIJK.

DE PEER

Deer. o solden fles.sr.Kie

Volsap,versneeuwde gloed,

Doorhonigd moes van bessen.

Schuim van jong druivenbloed,

O koelgestelde spijze!

Hoe noem ik wat ik proef,

(Een smaak, een geur,) en wijze

Nog nagenietend prijze? :

Eenzaam geluk, dat lijze

Zwaar wordt en droef.

WILLEM DE MÉRODE.