is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 6, 1932-1933, no 6, 1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aria’s door andere solostemrtfen geven de stemming van een geloovige weer.

De Mattheiis-Passion wordt geacht de hooge eereplaats in de Passionmuziek in te nemen. Vele plaatsen zouden aangewezen kunnen worden uit de koor- en sologedeelten, ook uit het orkest, die nimmer nalaten, een geweldigen indruk te maken. Ook in Johannes-Passion is veel schoons aanwezig, vooral staat de tweede helft wel gelijk met de Mattheiis-Passion. De beide slotkoren zijn ook volkomen gelijkwaardig.

Hier te lande is de Mattheiis-Passion door Verhuist geïntroduceerd op Toonkunst te Amsterdam in 1874, waarop uitvoeringen in andere steden volgden. Echter bleef zoo’n uitvoering een heele zeldzaamheid en gold voor een groote gebeurtenis. De jaarlijksche uitvoeringen van de Mattheiis-Passion in ons land danken wij aan wijlen den heer Schoonderbeek, van wien nog steeds de zoo hoogstaande uitvoeringen in de N.H. Kerk te Naarden afkomstig zijn op den Goeden Vrijdag; verder aan Mengelberg in het Concertgebouw op Palmzondag. Ook de Johannes-Passion wordt van tijd tot tijd gehoord. Daniël de Lange vooral had een groote liefde daarvoor en voerde het met Toonkunst te Leiden meermalen uit.

Schoonderbeek heeft ook met Excelsior in Den Haag de Mattheiis-Passion jaarlijks in de Stille week gegeven in de Willemskerk. Zijn opvolger als dirigent van Excelsior, Walther Boer, gaf het werk verleden jaar voor het eerst geheel onverkort. Het liet niet na diepen indruk te maken van het begin tot het einde, in weerwil van den langen duur, ook door de rijke afwisseling, die Bach in het werk heeft gelegd.

Verschillende coupures komen aan het geheel niet ten goede, en evenmin wordt de volle indruk gevestigd, wanneer het werk over twee of drie avonden wordt verdeeld, wat men in het begin der uitvoeringen o.a. te Brussel en Parijs deed.

Geregelde jaarlijksche luisteraars zullen het groote verschil opmerken in de voordracht van koren, koralen en solisten. Helaas! is dat verschil de laatste jaren stormenderhand toegenomen. In Bach’s tijd werden in de muziekwerken nagenoeg geen aanduidingen gegeven voor de snelheid en den sterktegraad van den voordracht. Men gaf alleen de noten. Eerst Bach’s zoon Emanuel (Karl Philip Emanuel), hofkapelmeester van Frederik den Groote, begon enkele sobere aanduidingen te geven bij zijn werken. Omtrent de voordracht van Bach’s werken dus, zijn de opvattingen zeer verschillend. In dezen tijd is er een strooming, die spreekt van een ~blanke” voordracht der klassieken, zoodat de toonsterkte en toonbeweging maar zeer kleine wijzigingen ondergaan. M.i. is die opvatting zeer onzinnig. Ons voorgeslacht toch heeft juist, evenals wij, zijn verlangens en voldoeningen, zijn lijden en vreugden gekend, die zich openbaren in de stemming van het voortgebrachte toonwerk. Een gedicht van Vondel of Shakespeare wordt toch ook niet voorgedragen zonder rhythmische versnelling of vertraging, zonder stemverheffing of stemdaling. Waarom dan de toonwerken uit vroegeren tijd? De stemming der toonfiguur moet worden doorvoeld en door fijne afwijkingen in beweging en kleur gekarakteriseerd. Aan den anderen kant dient men zich te wachten voor dramatische overdrijving. Bekend is het van Sweelinck en Frescobaldi (16e en 17e eeuw), dat zij groot verschil maakten in tempo en toonkleur bij de voor-