is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 7, 1933-1934, no 3, 1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uren zitten we naast elkaar in de cabine, onze voeten, onze beenen trillen van de motor, doen pijn door ’t in één houding zitten.

Zoo zouden honderdvijhig jaren voorbij kunnen gaan, eeuwig langs de wegen, achter den snellenden motor, wiens geraas vroolijk is op den gladden weg door ’n zonnige boschrijke streek, maar eenzaam en droevig op de lange avonden over de wegen zonder eind.

Honderdvijftig jaren, zonder dat je merkte oud te worden, zonder dat je merkte dat de wereld veranderde. Honderdvijftig jaren Pacific als een avond razend langs de heerweg.

De aarde nat, de wolken nat. Regen en wind. Loeiende wind en wolken drijvend over de landen van zee tot zee.

Nu geen woorden meer, geen verhaal.

Ik voel me geroepen iets te zeggen, m’n woorden gaan in ’t lawaai ver loren Razen razen.

Nieuwe verhalen.

Flarden en brokstukken die kbnken boven t trillen van de motor en t gieren van de wind.

Langs de zijruiten glijdt de regen voorbij. Elke tegenliggende auto doet met haar lampen de druppels op onze voorruit in goud glinsteren. Enkele zwarte gevaarten van fabrieken flitsen voorbij.

In de verte jaagt ’n trein, de verlichte sleep verdwijnt snel.^^

Reeds duiken aan alle kanten de lichten van de stad op. We naderen al meer, rijden langs verlichte kaden.

We bolderen over de keien langs ’t donkere water van den Amstel, suizen dan over ’t asfalt de stad in. Als ik uitstap nemen we afscheid, met n jovialen groet, als kenden we elkaar reeds lang.

Ik klap ’t portier dicht en sta op ’t trottoir in den vallenden regen.

De zware wagen rijdt weg, nog tot in t hooge van Noord-Holland.

’t Achterlicht weerkaatst rood op t natte asfalt, de banden spetteren.

Nog altijd slaat de regen neer. Maar op m’n droge jas hoef ik niet meer te passen, immers ik ga naar huis. Ik gooi m n rugzak op en zet er n stevige pas in.

April ’32.

ERE DE GRAAF.