is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 8, 1934-1935, no 1, 1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidene kamers verbonden, die den toch al gecompliceerden plattegrond eerst recht onoverzichtelijk maken.

De moderne toegangsweg heeft ons direct in een der ronde voorvertrekken van het ~heilige der heiligen” gevoerd. Op den bodem liggen losse stukken steen, overblijfselen van een poort, bestaande uit drie steenen balken, zooals deze hier bij iederen doorgang te vinden is. Ter hoogte van den vloer zien we eenige diepe nissen, waarin zich wellicht de geloovigen uitstrekten om magische of voorspellende droomen te krijgen. Aldus meent men althans te kunnen opmaken uit kleine beeldjes, die men hier gevonden heeft en die vrouwen in liggende houding voorstellen. Groote stukken van den wand vertoonen nog de roode kleur, waarmede dit geheele vertrek beschilderd was en op één plaats herkennen we een motief van zwarte en witte blokken.

Wat heeft zich hier al niet afgespeeld! Wonderlijk wordt het iemand te moede in dit oeroude heiligdom, over welks oorsprong men slechts gissingen kan maken, welks datum van ontstaan op geen eeuwen na juist geschat kan worden en toch zeker zesduizend jaar op zijn minst of misschien ook wel langer nog voor een zoo groot deel intact is gebleven.... En hoe wonderlijk is het te bedenken, dat dit geheele labyrinth werd uitgehakt met de primitieve steenen werktuigen, waarover de toenmalige mensch slechts te beschikken had .... Overigens krijgt men hier wel den indruk, dat de cultuur dier dagen veel minder primitief geweest moet zijn, dan men denkt. Het kan haast niet anders! Met hoeveel zorgvuldigheid zijn de wanden glad gemaakt en de nissen geconstrueerd, evenals het raam, dat uitzicht geeft op de ronde kamer ernaast.

Men vraagt zich af hoe het uithollen van den rots in zijp werk is gegaan. De volgende kamer, die we betreden, schijnt daarop het antwoord te geven: daar zien we n.l. nog sporen van gaten in den muur, die daar blijkbaar met wiggen in gedreven zijn. Vervolgens is dan, naar het schijnt, de tusschenliggende steen met hamers weggehakt. Hoeveel jaren en zelfs generaties moeten er wel noodig geweest zijn om tot zulk een complex van zalen en gangen te komen!

Onze gids voert ons naar een der zijvertrekken, de zgn. orakelkamer, met aan één zijde een kelder, aan den anderen kant nissen; het geheel merkwaardig door de accoustiek. Daar alles erop wijst, dat in dezen tempel niet slechts geofferd werd, maar ook een direct contact met onzichtbare machten werd gezocht, veronderstelt men, dat hier orakels werden gegeven. Wellicht klonk dan de stem van dat orakel uit den kelder terzijde. We kunnen er nog de proef van nemen, op hoe merkwaardige wijze deze door het vertrek gegalmd moet hebben. Ook de diepe nissen geven een wonderlijke echo, echter alleen van lage stemmen. En ziet.... ook hier zijn schilderingen: groote ronde schijven op het regelmatig gevormde gewelf boven ons.

Mooier nog en meer opvallend zijn echter de schilderingen in het tweede ronde voorvertrek van het heilige der heiligen: Een merkwaardig patroon van gestyleerde takken, omgeven door spiralen, alles weer in roode kleur, overspint hier de vlak gewelfde zoldering. Langs den wand zijn de ornainenten op manshoogte uitgewischt. Wellicht doordat zich hier de geloovigen of de priesters verzamelden en dan tegen den muur geschaard ston-