is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 8, 1934-1935, no 9, 1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk te waardeeren? Dat moet dan bevreemding wekken, want, zegt het Gedenkboek ~Het publiek moet een stuk volkomen kunnen verstaan, en dat kan het alleen werk van landgenooten. Daarom is een Nederlandsch stuk voor ons tooneel beter dan een overigens gelijkwaardig stuk van buitennlandschen oorsprong”. Maar ach, smaak en oordeel van ons publiek zijn beneveld en bedorven door veel te veel minderwaardig buitenlandsch werk. ~Je kunt het publiek niet laag genoeg aanslaan”, heeft een tooneeldirecteur gezegd.

Intusschen valt het met een noemenswaardig deel van ons volk toch nog wel mee, want het blijkt dat de zeer talrijke liefhebberij-tooneelgezelschappen bijna uitsluitend Nederlandsche stukken opvoeren en hieraan is het dan ook te danken dat onze dramaturgen toch niet uitsluitend voor den prullemand werken. Hier zien wij een lichtpunt: er moet gestreeft worden naar leiding, samenwerking en gestadige peil-verhooging van het dilettanten-tooneel.

111. Nochtans, het beroepstooneel zal toch daar boven uit moeten gaan en waarom blijft dat zoo jammerlijk in gebreke? In alle toonaarden worden tooneeldirecteuren en dagblad-recensenten in staat van beschuldiging gesteld en men vraagt zich af, wat die heeren dan toch bezielt. Gelukkig ontbreekt ook niet een erkentenis van de moeielijkheden, waarvoor de directeuren staan, al zien wij dan al spoedig weer dat het hun eigen schuld is, want: ~Het publiek wendde zich af van het tooneel, dat niet anders dan buitenlandsch en onze psyche vreemd werk . . .” (v. Wermeskerken e.a.). De Bond beklaagt zich over onedele tegenwerking, spreekt zelfs van een actie om leden uit zijn rijen weg te lokken.

Ernstig bezwaar heeft men tegen de fataal werkende subsidies, die Nederlandsch geld in buitenlandsche zakken brengen. Nederlandsch geld moet alleen voor Nederlandsch werk worden besteed!

Is het niet beschamend, vraagt de 8.N.T., dat voorname Nederlandsche dramaturgen pas erkenning konden vinden, nadat zij eerst vreemde pseudoniemen hadden aangenomen?

Ja, dat is het. Toch gaat men vragen: waarom wordt het doeltreffende middel niet méér toegepast? De man voor den spiegel: I’Homo davanti lo specchio, van Giovanni Übinco. Als dat niet trekt! .... En zou La Cité de Dieu van Frangois de Prez óók niet onweerstaanbaar zijn? En dan zulke schoone namen als Edward Bollhouse, Augustowow Heytoff, e.d.g. ?

Het ware te beproeven.

J, C. S.