is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 9, 1935-1936, no 3, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE MUSEA

Wie met eenige opmerkzaamheid de ontwikkeling van de bouwkunst der laatste jaren gevolgd heeft en daarbij terugdenkt aan wat voor vijf en twintig- dertig jaren daarin als belofe voor de toekomst verscholen lag, die moet op het oogenblik wel lichtelijk teleurgesteld uitkomen. Van wat toen geleerd werd, en Berlage ging ons daarin voor, dat bezonnenheid in de allereerste plaats de stralende macht was, waarmee het bouwwerk zich aan ons vertrouwd maakte, is niet zoo heel veel overgebleven. Die bezonnenheid beteekent tegelijk bezonkenheid. En als een werk bezonken is, tot het diepst in de ziel van den kunstenaar bezonken en daar tot rust is gekomen, dan zal het weer opbloeien tot opperste schoonheid onder de koesterende straling van de liefde des kunstenaars. Het is de liefde van den kunstenaar voor zijn werk, die het tot eeuwige schoonheid opvoert. Het is dat eeuwigheidsbeginsel, wat het ons ingeboren eeuwigheidbewustzijn doet trillen en dezerzijds de liefde doet schenken welke maker, kunstwerk en beschouwer heilig met elkaar verbindt.

In de eerste jaren van deze eeuw lag er inderdaad een belofte in de werken van Berlage, de Bazel en Kromhout. Er lag die bezonnenheid in, die zich later ook nog weer in het werk van de Klerk openbaarde, zij het, dat hier een veel soepeler geest in barokken zwier luchthartig met zijn opgaaf speelde. Niemand kan echter ontkennen, dat dit werk met een grootsche greep gebonden was, zoo, als Berlage het had voorgedaan met de Beurs en het Beethovenhuis, of de Bazel met zijn landhuizen of Kromhout met het American Hotel.

Met alle waardeering van wat daarna gemaakt is door hen en door de tallooze architecten van nu ook nog – en er is veel, waarvoor inderdaad een groote waardeering gerechtvaardigd is komt toch niets het genoemde werk nabij in zuiverheid van aanvoeling, in reinheid van conceptie, in breedheid van opvatting, in kracht van uitbeelding. Nu na zooveel jaren is het altijd weer een moment van blijheH er tegenover te staan, en er een misschien vergeten detail aan te herontdekken en wat al bekend was toch nog eens met de oogen af te tasten in het gelukkig weten van die ondoofbare liefde.

Van welke andere bouwwerken uit den laatsten tijd is datzelfde te zeggen? Waar gaat men graag nog eens heen om in stille verzonkenheid die innerlijke vreugdevolle beleving te genieten van het contact met de zuivere kunstenaarsziel? Men versta mij vooral niet verkeerd, dat gemeend zou zijn alsof geen der anderen met liefde en overgave zich zouden zetten aan hun taak. Maar dit is bedoeld, dat zij niet sterk de indruk in ons kunnen wekken van de karaktereigenschappen, welke hierboven aan het zuivere kunstwerk werden toegeschreven.

Velen dragen sterk het stempel van de onrust dezer tijden, het te haastige, te weinig overwogene, daardoor te oppervlakkige. Anderen zijn te luidruchtig, willen met te groote nadruk hun bestaansrecht bevestigen. Weer anderen trachten door een zekere uitzonderlijkheid, zij het ook in alle bescheidenheid, een originaliteit ten toon te spreiden, die een oogenblik wel pakt, maar daarna teleurstelling wekt.

DE DELVER IX No. 3