is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 9, 1935-1936, no 9, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo doeltreffend mogelijk te doen zijn. Dit tracht ze te bereiken door een sterken roep, luidruchtig, overdreven, geïdealiseerd; soms ook meer beheerscht en ingetogen, om op deze wijze, dieper en stiller, door te dringen. De manier, die ze kiest, is afhankelijk van haar doelstelling. Maar steeds zal men trachten, haar als middel doeltreffend te doen zijn om velen haar boodschap bij te brengen.

Is er van dit middel iets schoons te maken?

Is het gebied der reclame niet even nuchter, hard en zakelijk als veelal haar terrein van herkomst en is het drus voor schoonheid nog wel toegankelijk?

En al zou haar gebied voor schoonheid vatbaar zijn, gaat de meer kunstzinnig gevormde reclame er dan niet als middel in doeltreffendheid op achteruit?

We kunnen dus ook de vragen stellen

Kan de reclame reclamekunst zijn?

Is de kunstenaar bevoegd, de reclame te verzorgen?

Is hij er de meest geschikte man voor?

Moet de reclame kunst zijn?

De vragen zijn talrijk.

Het antwoord is dan ook niet in een paar woorden te geven,

Allereerst bespreken we de wenschélljkheid, de reclame zóó te verzorgen, dat ze ons aesthetisch bevredigen kan en als onderdeel van het decorum van de openbare weg smaakvol geschapen wordt.

Het is wenschelijk, dat onze omgeving de reinheid van het schoone zoo veel mogelijk bevat. Niet enkel, om ons het leven te veraangenamen door een prettig luxe-sausje. Neen, wie kunst als een prettige afleiding ziet, als een soort luxe, heeft nog bitter weinig van haar kunnen begrijpen.

„Niet om „met een boekje in een hoekje ons af te zonderen uit een grimmige wereld, te vluchten in de zoete weelde van de droomerij of de bekorende rust van de zelfgenoegzaamheid”, schreef Dr. H. E. van Gelder, ~maar integendeel om uit de eenvoudige schatten van kunst en schoonheid, die vlak binnen ons bereik liggen, die tenslotte binnen het bereik liggen van ieder onzer, telkens weer kracht en moed, opbouwing en stichting te putten voor de moeilijke, dagelijks weerkeerende strijd om het bestaan. In ons streven en zoeken naar opbouw en verheffing kan de kunst een belangrijke rol spelen. Immers zij is niet alleen de afspiegeling van cultuur als synthese van instinct en rede, maar kan ook omgekeerd de cultureele vorming sterk beïnvloeden. Cultuurlooze perioden, waarin een wezenlijk opbouwend en bindend algemeen begrip zoek is, hebben hun funeste nasleep door het voorloopig aanblijven niet alleen van een onvruchtbare, vooze basis, ongeschikt voor geestelijke opbouw, maar ook van het kleed van karakterloosheid en leegheid, waarin ze onze omgeving stak. Denken we aan de architectuur, dan zien we, hoe weinig verheffend niet alleen, maar ook hoe deprimeerend en remmend voor zuivere ontwikkeling het