is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 10, 1936-1937, no 4, 1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij van die kwaal niet de brutale bluf-symptomen. Zijn bangelijkheid voor allerlei, vaak denkbeeldige gevaren en zijn zwichten voor pausen en vorsten werd meermalen afgewisseld door blijken van moed en mannelijken trots. Toch doen het pessimisme en de smartelijke melancholie in de meeste van zijn gedichten meermalen denken aan een soort van geestelijken ziektetoestand in een, die tegen wereld en eigen weifelingen niet op kon, ofschoon zijn bovenmenschelijke begaafdheden, die door de tijdgenooten wel degelijk werden erkend, hem tot heerscher konden maken. Het leven viel dezen milliardair aan talent te zwaar en bijna masochistisch ging hii het leed beminnen.

~Het meest verheugt mij, wat mij ’t meest bedroeft”, leest men in zijn brieven. ~Alles baart mij droefenis. Wegens zijn korten duur bezwaart het goede mij evenzeer als al het leed”. ~Er komt geen gedachte in mij op of de dood is er in uitgebeeld”.

Het eerste van de dertig thans in Nederlandsche vertaling gebundelde sonnetten is een zakelijke aanklacht legen de in zedelijk verval verkeerende en oorlog voerende kerk. De meeste andere echter zijn vol van klacht en 2e//beklag, gekrenktheid, berouw, angst, treurnis over zijn leven, dat hij als een mislukt leven ziet. Maar in ieder woord blijft zijn stem die van een geestes-aristocraat.

Hachelijke onderneming is het overzetten van verzen. Hachelijk te meer, en welhaast tot mislukking gedoemd, wanneer dit moet geschieden uit een zestiende-eeuws-Romaansche in een hedendaags-Germaansche taal. Zich inleven in de innerlijke roerselen van een uitzonderlijk genie, in een tijdgeest van vier eeuwen her, gelijkwaardigheid benaderen aan een aesthetisch-technische volmaaktheid, gaat dat allemaal maar? Dr. Menno ter Braak schreef in Het Vaderland van 10 Mei j.1.: ~Eekhout behoort tot diegenen onder zijn collega’s, die griezelig veel talent hebben en daardoor eigenlijk al een voortdurende beheersching over den vorm hebben weten te krijgen. . . . Wanneer de ~zang” wegvalt, blijkt het moeielijk, iets te schrijven, dat voor de critiek standhoudt. O, dat talent! Hoe verleidt en misleidt het!”

Toegegeven, dat er gevaren zijn in ~zang” en in veel, overigens voor belangrijke praestatie toch ook onontbeerlijk, talent, méér dan dat-alleen is er voorzeker in Jan Eekhout, zooals reeds menigmaal is gebleken, o.a. uit den in No. 2 van den vorigen Delver-jaargang door mij besproken bundel vertalingen ~Witte Muziek, mystische lyriek der Indische middeneeuwen . Zwakke plekken, nu ja, maar daarnaast zooveel waarvoor men den hoed behoort af te nemen. Enkele voorbeelden uit vele:

O diepste droom, wanneer gij wordt vervuld,

Moog’ dan vervluchtigen in Tijdloosheid

De Tijd, stilstaan der uren trage gang.

Opdat’ k hem, wien mijn Wezen werd onthuld

Ben ik hem onwaard ook voor d’eeuwigheid

Stamelend, streelend in mijn armen prang’.