is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 10, 1936-1937, no 8, 1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KUNSTBESCHOUWING

KEES VAN DONGEN,

Tentoonstelling te Brussel, April 1937.

Wat moet ik van ~Jack Johnson” denken? Neen lezer, dit is geen sportpraatje van Han Hollander, maar een ~Kunst”-verslag. Ik bedoel thans een neger, of liever een schilderij waarop een neger, van niemand minder dan Kees von Dongen. Deze Neger is opgehangen helaas alleen het schilderij in het Paleis voor Schoone Kunsten te Brussel. Nogmaals, het is een Neger, een wasch-echte zwarte Piet, in een soort zwart maillot, met hoogen hoed, benevens een achtergrond van exotische planten.

Ben ik verplicht dit als ernstig bedoeld op te vatten, of is het een erg zouteloos grapje zonder picturale kwalitetien?

~The million Dollars baby”, een vrouw als een rosé zeug, in zijde van gris-perle, de gemeenheid druipt er af, de kleur gewoonweg afschuwelijk. Het portret van de gravin ~de Noailles”, een pronkstuk volgens de critici, een uitgemangeld misbaksel volgens mij, met de ~make-up” van een dorps-barbier.

Painlevé, Barthou, scheeloogige burgermannetjes, beslist in garen en band, belachelijk van opgeblazenheid.

Een rustpunt: een priester, een kleed, kleur, teekenen van waardigheid, de persoon.... het niets. Aan dien man kon zelfs van Dongen niets gemeens vinden. Nu dat zegt wat.

Wat hiervan verder te zeggen? Dat de origineelen (ik kom ze liever niet tegen), er dan wel naar zullen zijn?

De andere mogelijke conclusie is, dat de visie van Kees van Dongen er dan ook naar is. Wie zijn naaste bij voorkeur afmeet naar de slechte zijde heeft niet direct een verheffende visie op dit cndermaansche.

Doch een dergelijke visie kan picturaal belangrijk worden, indien de verbeelding ons gegeven wordt door een werkelijk artiest.

Wat hier wordt geboden, verdient echter uit dien gezichtshoek ook nauwelijks belangstelling. Eenerzijds een minderwaardige visie, anderzijds een voordracht welke veelal met kunst niets meer te maken heeft.

Is er dan niets te roemen?

Och ja, enkele krabbels, landschapschetsen; een inlander in vlak-Indiaansch rood binnen scherpe contour (ook al weer scheel-oogig) ; enkele picturale vondsten, een schaduwpartij op een vrouwenarm in brutaal groen. Andere gaven dit veel voortreffelijker.

Conclusie: Een sensatie? Nauwelijks.

Een ergernis? Zeker.

Brussel, Mei 1937

SPECTATOR