is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 12, 1938-1939, no 9, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar zijn in de eerste plaats hun woonplaatsen, de „auberges", elk herbergende de ridders van één natie. Oorspronkelijk waren er acht, nu zijn er nog maar zeven over. Een eeuw geleden werd het noodig gevonden de achtste op te offeren om ruimte te verschaffen voor een volkomen oninteressante Engelsche kerk. Bijna alle werden gebouwd door Girolamo Cassar (een typische Malteesche naam), die ook als architect van de kathedraal was opgetreden. In latere tijden heeft men er echter nog veel aan vergroot, veranderd en verfraaid.

De belangrijkheid van de groep, die ze moest bewonen, zien we weerspiegeld in den bouw, die varieert van de kleine, strenge Auberge d'Arragon, met zijn roodgemenieden gevel, opduikend als een ware verrassing op een verlaten pleintje, tot dat andere Spaansche paleis, de „Auberge de Castille", met zijn wijdsche allure, zijn zwaar barokportaal en de levendig geornamenteerde tympanen boven de vensters, brekende de strenge vormen van het monumentale paleis, uit welks ramen men een ver uitzicht heeft over de havens, diep beneden. Van de prachtige ligging heeft onze nuchtere tijd gebruik gemaakt om er een seinstation voor de marine te vestigen, zoodat het statige gebouw nu helaas bekroond wordt door een menigte van sprietige antennemasten, draden, isoleerknoppen en nog eens draden, kris kras door elkaar.

Doch laat ik U vooral mogen vertellen over de kerk San Giovanni te Valletta, eens de hoofdkerk der ridders en een der mooiste kerken van Zuid Europa, in de zeventiger jaren der zestiende eeuw gebouwd, slechts zeer kort na de stichting der stad.

Aan een breede straat verrijst de gevel, sober en bijna zonder versiering, maar zuiver van indeeling en verhouding, met twee verdiepingen: voor den hoofdingang een kleine zuilenportiek, die een balkon schraagt, waarboven zich, binnen een groeten boog, nog een deur opent. Het geheel bekroond door een driehoekig fronton en gevat tusschen twee massieve, vierkante torens, slechts één verdieping hooger dan de gevel en met korte, gedrongen spitsen voorzien.

Welk een contrast met het inwendige: één breed schip; als een zaal met tongewelf, rustend op zware pijlers, onderling verbonden door bogen, welke toegang verleenen tot de kapellen, vier aan eiken kant, die hier de zijschepen vervangen. Het geheel is van opzet sober en zwaar als de buitenzijde, doch door zijn versiering van verblindenden rijkdom. Het gewelf, in groote velden ingedeeld door breede gouden lijsten, correspondeerend met de pijlers, vertoont één wemeling van gestalten en figuren. Het is het