is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 12, 1938-1939, no 10, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. 27—31 luiden:

Schrik voor uw geesel vervult, zoodra gij hem dreigende opheft,

't Heir der vergramde demonen, die 't menschdom met rampen [bestoken.

Leed ons berokk'nen en jammer in 't diepst onzer zielen, opdat wij Altijd door op de golven van 't zwaar voortstuwende leven

Zwoegen, door 't lichaam bezwaard en verdwaasd naar het [dwangjuk verlangen.

Treffend is de bede v. 33—38:

Maar, uitblinkende god, welzalige, vuurgloedomkranste. Beeld van den schepper dor dingen, gij, die onze zielen omhoog [voert.

Hoor mij ei', reinig mij, lieerscher, genadig van iedere zonde. Neem mijn gebed in ontvangst, dat ik uitstort, badend in tranen;

Wil mij behoodon voor straffe en vol ontferming verzachten

't Alles aanschouwende oog van de strenge godin der vergelding!

Wanneer Proclus in de derde hymne (aan de Muzen) v. 11 vlg. uitroept:

Moge mij nimmer de schare der godenverachtende menschen Af doen dwalen van 't pad dat tot licht ons verstrekt en tot zegen.

dan heeft hij daarbij allicht aan de Christenen gedacht.

Bijzonder opmerkelijk is de vierde ~gemeenschappelijke hymne aan de góden":

Goden, gij die in uw handen het stuur van de heilige wijsheid

Houdt en uit duistere krochten de sterflijke menschen omhoog [voert.

Gij die een vuurvlam ontsteekt tot heil van den geest en de zielen Zuivert door hymnen, waarin het geheim is besloten der wereld. Hoort mij, o machtige redders, verstrekt mij uit heilige boeken

't Nevelverdrijvende licht en leert mij toch duidelijk kennen

Of aan mijn oogen een god dan wel zich een sterveling aanbiedt.

Nimmer ook moog' met vergetelheid's stroom, een verderflijke [demon

Ver mij van 't zalige rijk der ontzagbare góden verdrijven.

Noch ook een gruwzame boete mijn ziel, als op ijzige golven

Nedergevallen in 't aardsche gewoel en den dwaaltocht moede, Ooit weer 'k smeek het u, goónl in de boeien des levens [verstrikken!