is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 12, 1938-1939, no 10, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tiende regel van het oorspronkelijke, door ons meer in den elfden weergegeven, heeft een klankeffekt, dat wij aan het muzikale gehoor niet willen onthouden:

Mê kruerês geneihlês eni kumasi peptókuian.

waarin men als 't ware het neerploffen in ijzige golven kan hooren.

Dat de voorlaatste versvoet niet, zooals gewoonlijk, uit één lange en twee korte maar uit twee lange lettergrepen bestaat, doet het stuitende van den val nog sterker uitkomen.

De hymnen van Proclus zijn niet van algemeenen aard, maar dragen een persoonlijk cachet.

De dichter voelt zich nauw aan zijn vaderland verbonden. In de vijfde hymne richt hij zich tot de „Lycische Aphrodite" met de bede, v. 12 vlg.:

Wil ook de hulde van mijn poëzie als een offer aanvaarden. Want uit het Lycische bloed ben ook ik, uw vereerder, gesproten.

Dat het ook hem niet altijd meeliep en hij met vele moeilijkheden te kampen had, vermeldt hij herhaaldelijk, bijv. in de tweede hymne (aan Aphrodite) waar hij v. 19 spreekt van den

zwaarzwoegenden tocht van mijn leven.

Hij erkent zooals wij reeds gezien hebben ronduit, niet vrij te zijn van gebreken en wel het sterkst in de zevende hymne „aan Athene, de godin der wijsheid", v. 38 vlg.:

'k Voel me als verscheurd, ik weet het, door daden in strijd [met het Hooge,

Daden door mij ook te vaak, in een vlaag van ontzindheid.

[misdreven.

Bij deze woorden moet men echter meer aan innerlijken strijd denken, want, zooals Marinus, Proclus' leerling, in diens levensbeschrijving 20 vlgg. uiteenzet, bracht de denker de deugden die hij leeraarde zelf naar zijn beste vermogen in praktijk. Maar Proclus was hartstochtelijk van aard en dit moest hem menig moeilijk oogenblik bezorgen.

Wij willen nog een typische bijzonderheid vermelden, die misschien reeds den aandachtigen lezer is opgevallen: Proclus houdt niet van de zee, zooals trouwens reeds E. von Hoeder had opgemerkt in zijne voortreffelijke, door J. J. Poortman vertaalde, voordracht „Proklos" (in „De theosophische beweging", 28. jrg. (1932), p. 292.)

En dit behoeft ons niet te verbazen. Marinus bericht ons in de