is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 13, 1939-1940, no 9, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AVONDLIJKE SAMENKOMSTEN IN T

HUIS IN HET DRIEKROEZENSTRAATjE

Faramonda goetinck woonde eertijds in het Driekroezenstraatje te Brugge. Gij zult dit steegje niet kennen, onoogelijk en vergeten gelijk het ligt in het stadsbeeld dezer oude veste. Het zal bij U geen herinneringen vermogen te wekken, omdat gij het nooit hebt doorwandeld, omdat ge de gesloten éénplankige deuren met groote sleutelgaten ervan nooit hebt gezien, omdat de veisters zijner huizekens U nooit hebben toegeblekt in hunne verholen ingehoudenheid, omdat, kortom, gij niet hebt mogen geboren worden in de stede, waar het mengelmoes van ontelbare eeuwen is versmolten tot een heerlijk bloem-aroom, vol zoetheid en innigheid, vol muziek van fijntinkende noten, vol mysterie dat U omvangt.

Faramonda was een visschersvrouw geweest in Blankenberghe. Zij had heuren man op zee verloren en, om niet bekende redenen, woonde ze in dat huizeken, nummer drie in 't Driekroezenstraatje.

Gij zult alwéér peinzen, dat ik dit niet moest vertellen, dat Faramonda Goetinck in het huizeken nummer drie woonde, maar gij vergist U, want in een garre huizen, die Driekroezenstraat heet, en dan nog uitgerekend in nummer drie wonen, neen, dit is niet gewoon.

Mij heeft dit straatje altijd tooverachtig toegeschenen. Ik zag drie eierdopjes vóór mijn oogen dansen, toen ik het naamschild voor het eerst las, want dopjes voor eieren noemt men in Brugge eierkroesjes. Ook zag ik langwerpige houten kroezen, met houtsnijwerk, vóór mijn verbaasde blikken schemeren en gelijktijdig danste er een „joly joker" over de straatsteenen, die ik slechts kende van het Boheemsche tarokspel en het leek me dus of er iets van goochelen en toovenarij aan dat straatje was verbonden.

Maar gij zult dat alles fantasie vinden, of erger onzin, en gelooven, dat 't in mijn bovenkamer niet recht pluis is maar, hou mij ten goede, ik ben uit Brugge en aan deze zotheid lijden wij daar zeer broederlijk allen tesamen.

Maar vóór ik verder ga, wil ik U toch nader aan Faramonda bekend maken. Zij draagt nog altijd dien zwarten neteldoekschen sjaal om het ovale hoofd, waardoor ze warme ooren houdt en dien ze gemakkelijk losjes strikt onder haar verinnigde kin. Vindt gij ook niet, dat de kleur van heur aanschijn doet denken aan een brokkelig, maar zacht soort kropbrood, versch gebakken, nog niet recht koud? Kijk, daar bij haar linkerkant gaat een diepe vore van