is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 8, 1934, no 2, 01-11-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOUTSNEDE EN HOUTGRAVURE

De houtsnede en -gravure is, als middel om teekeningen, foto’s e.d. te reproduceeren, welhaast geheel verdrongen door het, langs fotomechanischen weg verkregen, zinken of koperen cliché. Als ~ambacht uitgeoefend door bekwame vakmenschen, heeft het houtsnijden en graveeren dan ook afgedaan, doch als op zich zelf staande kunst, nu door kunstenaars beoefend, is deze uitingswij’ze weer naar voren gekomen en kan reeds geruimen tijd aanspraak maken op groeiende belangstelling en waardeering. Het is merkwaardig, hoe in den loop der tijden de techniek van het houtsnijden zich gewijzigd heeft, niet alleen door tijdsomstandigheden en persoonlijke opvattingen,, maar vooral ook door de keuze van materiaal en gereedschap. Van de grove, bijna onbeholpen snede der Middeleeuwen tot de ragfijne houtgravure of toonhoutsnede der Engelschen in de IVe eeuw loopt een lange weg, vol afwisseling, die daarna en ook nu nog voortgezet wordt en steeds weer nieuwe werkwijzen en opvattingen iaat zien.

De oudste voortbrengselen op het gebied der houtsnede dateeren voor nei Westen van omstreeks 1400. Mogelijk ligt de herkomst in het Oosten, doch ook in ons werelddeel bestonden er reeds veel eerder stempelsnijders, die voor sommige doeleinden ongetwijfeld ook in hout gewerkt hebben. De veronderstelling ligt voor de hand, dat naast letterteekens en merken ook wel eens een versierinkje of een prentje gesneden werd, zonder dat men Oostersche houtsneden gezien behoefde te hebben.

De houtsnede had toen"geen ander doel, dan het vermenigvuldigen van teekeningen. Het onbeholpene, soms stuntelige der voorstellingen en figuren zal weliswaar voor een groot deel toe te schrijven zijn aan de onbedrevenheid in het teekenen van de toenmalige houtsnijders, toch zullen materiaal en gereedschap hierop ook wel invloed hebben gehad.

Men gebruikte in den beginne waarschijnlijk beukenhout (boekenhout), later peren-, aan planken van den stam gezaagd, het z.g.n. langshout. Daarop werd de teekening in spiegelbeeld aangebracht, vermoedelijk door den, op dit gebied nog niet vaardigen, stempelsnijder, naar voorbeelden die op veel hooger kunstpeil stonden, als miniaturen, glasramen e.d. Als gereedschap gebruikte men mes en beitel. Om de lijnen van de teekening werd het hout weggesneden en weggebeiteld. Deze grove bewerking gaf dan ook grove afdrukken. Daar kwam nog bij, dat lijnen die dwars over den draad van het hout