is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 13, 1939-1940, no 3, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen schreden de Brugsche vrouwen bochten de Moeder der Zeveri Weeën aan, die extatisch voortstapte met electriseerende kracht en de gansche straat vervulde met een ongekende, magnetische lading, die blauwe vlammetjes deed slangen over de gevels der huizen.

I Zoo naderde men het Roononnenklooster.

Wie stond daar tegen de fletsbruinroode deuren als eene slanke gestalte, om onbekende redenen beschaamd? Het was de beeldschoone Freia, rijzig en van schoonen huiver doorzinderd. Dit mocht werkelijk wonderlijk heeten in de preutsche stede; een vrouw stond naakt en bloemig tegen de kloosterdeur der Roede Nonnen; wel sluierde er een wazig kleed orn hare lichaamsvormen, maar toch was den eersten aanblik één van beeldige naaktheid, waar kracht van uitging. De schoot was nog 't meest gedekt, de voedingsbronnen van 't menschelijk kroost roosden in de duisternis als mystieke bloemen. Zij had de hoofdharen volkomen losgewaaierd over haar rechten rug als mantel hangend tot op haar heupen en zij leunde daar tegen een deurstijl, de rechterarm beeldschoon geheven, de hand in tastende denking rustend op haar hoofd, als beschaamd, dat zij, Freia, nog stond in den hedendaagschen tijd.

Ofschoon geen mensch die zien kon, tinkten belletjes in den aether en de gestoken Moedei-Gods op klompen staakte haai gang. Zoover men achter haar keek lagen goudplakken op de straatkasseien, waar zij getreden was en deze straalden maneglimmend licht in den nacht op, wonderlijk kleurend de vijf stijfde vrouwen, die cils van was waren, slechts levend in hun bewogen, zeer menschelijke oogen.

Freia keerde zich om. Heur haren waaierden en verspreidden zonnegeur in den nacht. De meêgeloopen hond huilde zachtjes van vreemde angst. En zonder dat iemand der aanwezigen iets vermocht daartegen te doen, want allen waren verstijfd, trad de waarlijk groote en vorstelijke vrouwengestalte van Freia op de Boeremadonna toe en, als een Ridderse van den Swigenden Bede, trok haar blanke hand zwaard na zwaard uit de wreeddoorboorde borst van de Moeder-Gods.

En ziet, een juichkreet ontschoot aan de vijf vrouwen die gevolgd waren en die daardoor ook ineens hunne menschelijke lenigheid hadden teruggekregen. En als een jonge, naakte Germaansche moeder, nam Freia, de Boeremadonna op haar lange armen en tilde ze tot boven haar schoot op, ze kussend, ze wiegend, ze woordekens van liefde toevezelend, die niet verstaan werden, dan door de Moeder-Gods zelve. Een gouden branding klaterde in den nacht, omzoomd door elpenbeenen armen en afgedekt tegen de kloosterpoort door de gouden harenvacht, roodgloeiend mede in de sterke nachtdonkert.