is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 14, 1940, no 1, 1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voorsten boom opgerold („opboomen"), maar voordien verwijdert men de reep calque. Op dit groote moment is men in staat een stuk van het weefsel te beoordeelen door op zijn rug op den grond te gaan liggen, of door een spiegel op den grond te leggen. Dat dit niet anders kan, is eenerzijds een ernstig nadeel van de basse lisse, maar anderzijds een voordeel van technischen en artistieken aard, n.l. door de noodzaak dat de cartonnier a.h.w. in zijn carton de stof reeds doordacht moet hebben en dat alles onomstootelijk vast staat, en door de noodzaak dat de wever zijn vak volkomen beheerscht en weet wat hij doet.

In de hoop, dat de techniek U eenigszins duidelijk is geworden, wil ik het nu hebben over het verband met onzen tijd, ten eerste in de verhouding van de meespelende figuren bij de tapisserievervaardiging, en ten tweede bij de opvattingen van vroeger en nu over de functie en de daarmee in verband staande eigenaardigheden van een gobelin.

Het werk uit de vroege Middeleeuwen kunnen we geen zuivere tapisserie noemen, het betreft twijfelachtige gevallen, meestal naaldwerk of broderie (b.v. de tapisserie van Bayeux). Als eerste echte tapisserie zien we het kleed van St. Gereon in Keulen (tusschen 1000 en 1200) naar Byzantijnsch voorbeeld (kruistochtenl) en de ruglakens van Halberstadt, die ± 1180—1220 ontstaan. In 1300 komen in Parijs al haute lissiers en basse lissiers voor en in ± 1380 wordt de beroemde serie tapijten van de Apocalypse in het atelier van Nicolas Bataille vervaardigd. Van St. Gereon via Halberstadt tot de Apocalypse en vandaar tot den Bourgondischen bloeitijd is er technisch een geweldige vooruitgang en in zichzelf steeds vollediger kunstuiting.

In het begin is er geen duidelijk onderscheid tusschen de werkzaamheden van de verschillende betrokkenen, als schilderontwerper, cartonnier, wever en handelaar, trouwens, men heeft ook vaak te doen met werk van monniken of edelvrouwen. Dikwijls zien wij vele beroepen vereenigd in een man. Door aanmoediging van verschillende vorsten als Mahaut d'Artois (1303—1329) en Jan de Goede van Valeis, ontstaan er centra van tapisserieweverij. Er vormen zich ateliers waar natuurlijk de verhoudingen van zakenman, directeur en de gewone wevers voorkomen die samenwerken met den kring van schilders waarmee de Fransche en later de Bourgondische vorsten zich gaan omringen. Zoodoende vormt zich vanzelf een soort stelsel van opdrachten.

Naarmate de belangstelling in wandtapijten grooter wordt in breederen kring en de handel erin groeit, krijgen we herhalingen van bekende onderwerpen uit allerlei ateliers; men koopt gebruikte patronen of cartons op, verandert ze of neemt er stukken uit. Merkwaardig is dat de nadruk gaat vallen op den ondernemer of handelaar, het doet er niet toe, hoe belangrijk de taak van