is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 1, 15-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twee

BOSCHGEZICHTEN

van Gerard David

Op de tentoonstelling ~Nederlandsche kunst van de XVde en XVlde eeuw” in het Mauritshuis, een weliswaar slecht gearrangeerde maar toch veel moois bevattende expositie, waren ook twee lioschgezichten van Gerard David te zien. Ze behooreii eigenlijk aan het Rijksmiiseiim en deze instelling verwierf ze in 1932 te Parijs uit den kunsthandel. De heide boschgezichten zijn de buitenzijden van de zijvleugels van een triptiek iu de verzameling Jules S. Bache te New York; ze zijn van de hiimenvleiigels losgemaakt. Het middenstlik van deze triptiek stelt de Aanbidding der Herders voor, terwijl op het linker zijluik de schenker met de H. Hieronymus en op het rechter de donatrix met de Heilige Vincentius is afgeheeld. Het triptiek in zijn geheel was tot omstreeks 1920 in het bezit van den heer Ramon F. Urnitia te Madrid, daarna kwam het in de collectie van Jules S. Bache, New York. Vervolgens zijn de buitenzijden vau de zijvleugels afzonderlijk in den handel gekomen: dr. Schmidt-Degener, de vroegere Hoofddirecteur van het Rijksmuseum kocht ze zooals gezegd te Parijs. Deze twee landschappen of beter gezegd: deze twee fragmenten van één landschap zonder menschelijke figuren hehooren tot de vroegste voorbeelden van zelfstandige Nederiaiidsche landschapskunst. In het werk van Gerard David nemen ze een afzonderlijke plaats in. 0,, den linker vleugel heeft hij een waterpoort geschilderd met een pallisade van gevlochten takken, liggende tiisscheu hooge met klimop begroeide hoornen. Op den voorgrond, aan een gegraven watertje, rust een grijs ezeltje. Het andere luik vertoont een plas onder hooge hoornen met een bruinen en een witten os. De aanwezigheid van deze dieren is niet zoo toevallig als men misschien zou denken. Het middenpaneel stelt immers een aanbidding voor en het lag dus eigenlijk voor de hand, dat de schilder den os en den ezel iu gedachten heeft gehad en ze heeft geschilderd. Van David zijn geen analoge werken liekend doch wel vindt men een frappante overeenkomst met fragmenten uit het triptiek „De doop van Christus” door den meester voor Jean de Trompes geschilderd, dat zich thans in het Stedelijk Museum le Brugge bevindt. Ook daar zijn zulke minutieus geschilderde met klimop begroeide lioomeii, zooals ze ook in deze twee boschgezichten voorkomen. Toch schat men ze in het algemeen eenige jaren later geschilderd dan dezen Doop, die vermoedelijk uit 1507 of uit 1502 dateert. Friedlaiider spreekt van „aus ziemlich spater Zeit”, Schmidt-Degener noemt geen dateering, vergelijkt alleen met het stuk te Brugge. Het zijn overigens beide land-

schappen van een bijzondere rijpheid van observeering en schildering. In beide (ik spreek steeds van 2 schilderstukken hoewel ik toch geneigd ben ze qua compositie als één stuk te beschouwen) is het bladstil en in l)eide hangt die eigenaardig broeierige vochtige mosgroene atmospheer, welke men vaak in een bosch onder vrijwel ondoordringbaar gebladerte bespeurt. Alleen de wadende ossen veroorzaken kringen in het water van de poel, waarin ze staan. Blad na blad heeft David zijn werk opgebouwd zonder daarbij door de bladeren de boom en door de booinen het boscli niet Ie zien, want juist door zijn weergeven van het geheel zijn deze boschgczichten, waarin de mcnsch ontbreekt, doch waar het eigen leven van den schilder en van den beschouwer des te meer achtergrond vond, zoo uitermate boeiend en indrukwekkend geworden. Gcrard David is Irouwens in de schilderkunst van zijn tijd toch al een boeiende en eigen persoonlijkheid. Hij is tegen 1460 te Oudewater geboren, in 1484 wordt hij te Brugge ingeschreven, in 1515 verblijft hij lijdelijk voor een opdracht in de wereldstad van zijn dagen, in Antwerpen, en in 1523 overleed hij te Brugge. De Renaissance heeft hem vrijwel onl)e-roerd gelaten; hij ging zijn eigen beschouwelijken weg. Veelal moet hij in zijn schilderijen portretten vau de menschen uit zijn dagelijksche omgeving hebben verwerkt. Zijn wijze van observeeren was vol terughoudendheid, het gebaar van zijn sujetten waardig en beheerscht. Zijn kleur kon soms wel eens wat te dramalisch zijn hij had dat gemeen met Jan van Eyck zijn distinctie gebrek aan innerlijk medeleven verraden, doch in de 2 boschgczichten, symphoiiieën in groen, heeft hij een hoogte])unt in zijn kunst bereikt. „Rousscau Ie douanier's avant la Icttre” noemde een criticus ze onlangs on daarmede is veel gekarakteriseerd: de eerlijke en onbevangen wijze van zien, de sereene rust, die voortspruit uit een onbevangen gemoed en de wijze van schilderen, die geen detail verwaarloost, doch die nergens beneden is geworden.

Straks zullen de beide vleugels weer in het Rijksmuseum hangen. hoj)enlijk op hun oude plaats in een van de kabinetten. Het ware te wenschen dat menig „aankomend'’ schilder, het hoofd vol Braqiie en Werkman, Vincent of Hynckes, er ccns voor zal blijven slaan opdat veel van onze Nederlandsche schilderkunst hem duidelijk zou worden. Dr. P. NIEBURG.

Afmetingen; ieder 90 X 30.5 cm, beschilderde oppervlakte 88 X 29 cm. Tentoonstellingen; Antwerpen, Oude Vlaamsclie Kunst, 1930, nr. 95. Den Haag, Nedcrlandsche kunst van de XVde en XVlde eeuw. 1945, nr. 45. Catalogus Rijksmuseum te Amsterdam, 1934, nr. 767 b en 767 c.

Literatuur: A. L. Mayer in Zeitsclirift fuer bildende Kunst, Neue Folge 31, 1919/1920, blz. 97; Verslagen omtrent 's Rijks verzamelingen van geschiedenis en kunst LV, 1933, blz. 8; M. J. Friedlaender, Die altniederlaendisclie Malerei VI, 1928, blz. 143, nr. 160; idem XIV, blz. 106; L. Baldass in Jalirbucli der Kunstliistorischen Sammlungen, Neue Folge 10,‘1936, blz. 94. A. Glavinians in ~Pliüenix” I, A’daiii 1946, blz. 46.