is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 1, 15-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van cle ééne

TENTOONSTELLING

naar de andere

„Kunst in het harnas’’* is de naam van een tentoonstelling. welke een overzicht geeft van het werk van de een en dertig beeldende kunstenaars, die ons land aan den vijand verloor. Men leest hun namen op een hord aan den ingang en denkt; die hebben ze ons dus ook nog ontnomen; het moet er nog maar bij. bij de ontelbaar velen, die den duisteren weg hebben moeten gaan. En dan ziet men het werk. hun schilderijen, hun teekeningen. hun beelden en dan is het zoo moeilijk te bedenken, dat het allemaal voorbeelden zijn van een oeuvre, dat dus is afgesloten, dat een einde heeft gevonden, vaak nog voor het tot vollen opbloei kwam, welken men in wat er is kon vermoeden. Dan komt men ook tegenover de zelfportretten te staan en tegenover de portretten, welke ze van elkander hebben gemaakt en die maken eigenlijk den meesten indruk. Zoo hangt er een nog onvoltooid Zelfportret van Frans Hijmans, zoo voorzichtig en tastend geschilderd. heel licht van kleur, die nog in eersten opzet bleef, heel aarzelend van zelfbeschouwing en poging tot zelfdoorschouwing, en wanneer men dan nog ander werk van hem ziet: een schilderijtje van een boeket stroobloemen en een etsje, vraagt men zich af waarom het in ’s hemelsnaam rioodig was dat deze jongen het leven liet. En men komt te staan voor het geteekende Zelfportret uit 1941 van Henriet, een stoere ruige kop met sterken vorschenden blik en men ziet zijn teekeningen, de kinderportretten, een landschap. een liggende poes, en zijn terracotta's als de wonderlijk lucide portretbuste van Eleonora Duse en dan komt weer de droefenis en de spijt over wat de Nederlandsche beeldende kunst met die verliezen is aangedaan. Toch krijgt men op den duur nog een andere gedachte; het ging mij tenminste zoo bij het zien van Chris Lebeau s Zelfportret uit 1911, stoer de kop met den zwierigen baret, uitdagend de blik. forsch en prompt in het eigen gelaat het eigen wezen gekenschetst, namelijk deze: zij zijn toch niet overwonnen heengegaan en ook al is van sommigen van hen het werk zeker vergankelijk dan hebben ze toch in

CHRIS LEBEAU – Zelfportret

ieder geval hun bijdrage geleverd aan een periode in onze vaderlaiidsrhe kunst, die later wel zal blijken niet een van de slechtste te zijn geweest. Het lijkt misschien een schrale troost, gelegenheidswoorden, doch het werk zelf is er om het te bewijzen: in de kunst hond toch feitelijk niets deze 31 kunstenaars samen; zij zijn gevallen of gedood, doch dat feit schept geen artistieke saamhoorigheid. En toch is het peil van deze tentoonstelling een eind hoven het middelmatige. Namen of werken te noemen is eigenlijk nauwelijks iioodig: men vindt er vele richtingen, al constateerde ik niet zonder leedvermaak, dat het humanistisch expressionisme ontbreekt: dat heeft toch blijkbaar steeds aan den warmen kachel en het eindeloozc gephilosopheer den voorkeur gegeven hoven de daad. De heeldhouwkunst vooral blijkt zware offers te hebben gel)racht: behalve Henriet vindt men werk van Van Hall (een vitrine met gevoelige kleine figuren) van /Cogn/i, van Gvrrit van der Veen, wiens vroege beeld ~Knielend meisje” een prachtig beeldhouwwerk is. en van lAmpers, die ook al weer iii kleine terracolta-figuurtjes als van een naakt, met de linkerhand aan een vlecht, tot niet vermoedde hoogte kwam. En dan de schilders en schilderessen: Else. Berg, van wie men o.a. het mooie portret van Schwarz heeft geëxposeerd, SeckeL Jesseriin de Mesquita, Max van Dam, Bleekroode en zoo vele anderen. Juist is het ook dat men de typografische meesterwerken van mr. Van Royen niet heeft vergelen evenmin als de meubelen van Bas van Pelt.

Zoo is het werk het laatste dat blijft en het is goed. dat men hel waardeereii kan, ook wanneer men niet denkt aan hét lot van de makers, met hoeveel eerbied wij die ook gedenken.

Ik heb aan de tenloonsteJling ~Kunst in het harnas” wat meer plaatsruimte willen besteden dan ik in het algemeen voor een expositie beschikbaar heb doch de bijzondere aard van deze rechtvaardigde dat feit m.i. alleszins. Er zijn overigens den laatsten tijd veel tentoonstellingen

JAN VAN HEEL – De Pauw