is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 1, 15-07-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zoo*n {;root woord was. en zijn wijze van schilderen, nog altijd zeer doorwerkt in kleine penseelstreek, weet hij daarbij goed aan te })assen. Na het zijne was in den Rotterdainschen Kunstkring nagelaten werk van den Zeeiiwschen schilder Willem J. Schütz tentoongesteld. Schütz leefde van 1854 tot 1933 en zijn werk draagt er duidelijk het stemj)el van. dat hij een e|)igoon van de Haagsche school is geweest, een niet oorsjironkelijk maar wel trouwhartig en soms innig talent. Na hem exposeerden er zeven Rotterdamsche niet aangeslotenen bij de Kultuurkamer, welk feit natuurlijk niets voor of tegen hun talent zegt. Wanneer men werk van een aantal kunstenaars, dat geestelijk zonder eenige band is, bij elkander brengt, komt men uiteraard tot een tentoonstelling. waarvan het totale aspect niet bijster boeiend kan zijn. temeer waar er nogal zwakke broeders bij waren. Zoo het werk van W. Elenhaas. een vriendelijk surrealisme, zooals men dat vaak in knappe buitenlandsche affiches aantreft, doch zonder vee! eigens. Vrins in nogal krampachtige landschaj)pen. kennelijk geïnspireerd oj) het werk van Van lej)eren. Benschop met vlotte figuurstudies en portretten, soms meer kunst van inventie dan van gevoel doch in een portret als dat van rnej. V'. met hond van een wonderlijke wat nostalgische bekoring. Zij. die meer traditioneel werken, het impressionisme voorbij, zooals men dat wel noemt, kwamen beter voor den dag: mevrouw Reuchlin-Lucardie met knappe figuurstudies. Henri Hoogeueegen met zeer vlotte doch niet zonder menschkundigen kijk geschilderde, modieuze j)ortretten. mevrouw Hoogeiverjf-Goddard met zwakke stillevens. Het onbelangrijkste

was mevrouw Willcmse’Vervloct met stillevens en een portret, die een greep naar het decoratieve doen. doch in de allure zijn blijven steken. Hoe zouden sommigen van hen kunnen leeren van het werk van den Anisterdamschen schilder Johan Buning, die bij Buffa zijn jongste werk liet zien. Men gevoelt lust Napoleon te parafraseeren: Ziet daar, een schilder! Een talent, dat van de meest ..gewone” dingen, een coupe met appels, een vaas, een blikken kruideniersbus, een speelgoedpaardje, schilderijen weet te maken, die wars zijn van alle onechtheid en die zoo volop getuigen van de vreugde aan de schilderkunst. Bunings schilderijen en aquarellen zijn geen moraliteiten of vertelsels maar beelden van de werkelijkheid, die door de visie van den schilder verdieping kreeg. Zijn doeken zijn breed geschilderd in warme verzadigde kleuren, waarin grijs en rood en groen de meest voorkomende tonen zijn, van welke hij dan de gevoeligste schakeeringen in zijn compositie weet op te nemen. Welk een verademing, zulke schilderijen.

Fe Kotlerdam in den kunsthandel Van Zanten toonde Charles Kernper zijn nieuwste teekeningen. Een groote vooruitgang, vergeleken hij zijn vroeger werk. dat altijd nogal academisch, zeggen we liever: schoolsch. was. Vergis ik me niet, dan is Jan Wiegers het zeer bewonderd voorbeeld ge- en hij had zeker minder kunnen kiezen. In het algemeen zijn de teekeningen nogal vlot opgezet, aardig van comj)ositie en zeker van lijn. Aan de wieg van eenige heeft ook de schim van Vincent gestaan doch dat geeft allemaal niet zoo erg: hoofdzaak is dat Kernper blijkbaar op den goeden weg is gekomen. A. G.