is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 2, 15-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. N.Werkman

schilder en drukker

De Groningsche schilder en drukker H. N. Werkman werd in het voorjaar, kort voor de van zijn stad en zijn land, door de Duitschers gefusilleerd. Hij behoorde tot de groep Groiiingsche beeldende kunstenaars, die zich in den kunstkring „De Ploeg” hadden vereenigd. Een van hen, de schilder Johan Dijkstra heeft eens den aard van hun werk gequalificeerd met: neoimpressionisme, „een impressionistische terugslag na de expressionistische jaren”. Verder schreef hij nog: „voor nieuwe zakelijkheid is het bloed nog niet tot rust gekomen; slechts in het constructivisme konden enkelen de strenge zelftucht vinden, die al te wilde neigingen wist om te werken tot positieve energie”. Daar heeft men dan tegelijk zoo’n beetje alle begrippen en richtingen in een adem genoemd. Doch ook het oeuvre van Werkman laat zien hoe hij steeds weer het experiment zocht en hoe hij daarbij gebruik maakte van de technische mogelijkheden, welke zijn typografische kennis voor hem opende. En als teekenaar en als schilder behoort hij met andere Groningers tot de bewonderaars van Duitsche „ontaarden” als Kirchner, Nolde of Purmann, die zelf weer hadden gekeken naar Gauguin en Vincent van Gogh. In sommige werken als in dat met de twee figuren, aan een tafel gezeten, of in een stilleven met brandewijnkoin en een coupe met radijs of in het dorpsgezicht met een rood huis zijn die invloeden duidelijk te bespeuren, hoewel men ook merkt, dat er in Werkman’s werk een verbeten kracht is, welke men bij de anderen mist. Bij geen anderen Nederlandschen schilder (behalve wellicht bij Wiegers) gevoelt men zoo onmiddellijk de qualificatie „Fauve”, wilde, bij zich opkomen als hier. „Primitief” zou men ook kunnen zeggen doch eigenlijk dekt dat begrip deze kunst niet want ze is meer doelbewuste hemelbestorming dan natuurlijke zucht tot vereenvoudiging. In heel het oeuvre van dezen kunstenaar zien we namelijk telkens ook een poging tot „reiniging”, tot het terugbrengen van de middelen met welke hij zich uitdrukt, tot een minimum. Hij komt dan tot de composities in drukinkt, een procédé dat ruime mogelijkheden laat ten aanzien van het vervloeien en op elkander zetten van felle ongemengde kleuren. Abstracte composities heeft Werkman er zoo vele

gemaakt o.a. de zoogeheten ~muzikale impressies”, samenvoegingen van lijnen en vlakken, die op geen voorstellingen van de werkelijkheid meer zijn terug te brengen tenzij men de arabesk van den vorm van een strijkinstrument wil ontdekken. Doch waartoe dat zoeken naar een voorstelling, naar een „plaatje”? Waarom de impressies uit elkander te rafelen? Ik geloof, dat Werk- composities vooral vragen, dat men ze aanvaardt. In den grond van de zaak hebben ze namelijk niets kunstmatigs: ze zijn er nu eenmaal en men kan ze mooi of leelijk vinden al naar gelang men in staat is of genegen is, zich door den kunstenaar te laten meeslepen. Kan of wil men dat, dan doet er zich een wereld open. Zoo is er een serie „Vrouweneiland”, waarin men ziet dat ook deze Werkman’s wereld zijn arcadie heeft gehad, of de serie met de ruiters en amazones, waarin ook veel is van een leven dat niet aan burgerlijke wetten is gebonden, de vlucht uit de provinciale verveling zooals Werkman ze ook heeft geheeld in een aantal stadsgezichten met een straatje, dat groen is van nostalgie of in een met pakhuizen. Een toppunt zijn de Chassidische legenden naar Martin Buber, een van de uitgaven van „De blauwe schuit”, Werkman’s illegale pers. Wat in de andere typografische werken nog wel eens gewild kon schijnen of een te groote greep om iets betrekkelijk onbelangrijks vast te houden (zooals dat affiche „Gas in ieder huis” b.v.) werd daar tot een eenheid tusschen verbeelding en uitbeelding gebracht, die eigenlijk adembenemend is, zwaar van onafwendbare droefheid maar prachtig van visueele uitbeelding.

Werkman’s typografica zijn wel eens minder, wel eens beter geslaagd, soms indrukwekkend zooals de verbeeldingen in blauw van een kerk met drie torens, van een koepel, van een menigte, uit een der uitgaven van de Blauwe Schuit.

H. N. Werkman is een groot talent geweest. Generaliseeren is gevaarlijk doch men kan zich afvragen of hij niet zeker op het niveau van Braque heeft gestaan. Bij diens tentoonstelling in het Stedelijk Museum verdrong zich een dichte menigte in de zalen waar, toen Werkman’s artistieke nalatenschap er was geëxposeerd een enkeling ronddwaalde

A. GLAVIMANS.