is toegevoegd aan uw favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 2, 15-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fransche muziek afgestemde techniek en herinnerend aan Milhaud en Satie, bouwt Eisenmann breed-uit rondom de diep-menschelijke doeken: Zonnebloemen, De man met de anjelier. Zelfportret met gewond oor, De schilder op weg naar zijn werk, De zaaier, Artiste in het restaurant en Cypressen onder nachtelijken hemel. Citaten uit brieven van Van Gogh, die op de doeken betrekking hebben, verbinden de deelen en ze geven den menscbkundigen achtergrond, tegen welke men de muziek moet hooren. Eisenmann is in 1906 te Stiittgart geboren; hij studeerde o.a. bij Dukas. Sedert 1935 leeft hij zeer teruggetrokken in Zwitserland. Naar het schijnt zal uit zijn werk worden gespeeld te Parijs, Londen en te Amsterdam, waardoor deze componist opnieuw in het internationale muziekleven zal komen te staan.

Het cubisme in de Academie des heaux Arts. Jean Souverbie is in de Academie des Beaux Arts gekozen. Hij is 21 Maart 1891 te Billancourt geboren. Leerling van Laurens. Kwam later onder invloed van Maurice Denis en van Picasso. Hij is de eerste cubist, die in de Academie wordt gekozen, al geldt hij dan als een gematigde. Tusschen 1924 en 1927 ligt zijn eigenlijke „theoretisch-

cuhistische” periode. Daarna komt hij tot een meer humanistische wijze van beschouwen.

Het Prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale te Parqs is tijdens den oorlog, meer of minder „zwart” gerestaureerd. Binnen een der oudste gedeelten heeft men, met behoud van den bestaanden gevel en van goede details zooals een mooie eeretrap, een betonnen pand van acht verdiepingen gezet. Drie onder den grond die als magazijn dienst doen, één als tentoonstellingszaal en vier voor de bibliotheek, voor wetenschappelijke onderzoekingen enz. Alles, liften, verwarming, verlichting enz., is zeer modern ingericht- In de groote zaal zal men geregeld tentoonstellingen houden: van Mei tot Augustus is er één geweest van de mooiste prenten, welke men bezit. De Galerie Mansart bood dan ook een buitengewoon overzicht van de grafiek: houtsneden uit de XVde eeuw, Fransche teekeningen uit de XVlde eeuw, gouaches en burijngravuren van Albrecht Dürer, etsen van Rembrandt (alle staten van „Oe bespotting van Christus”), werk van Watteau, van de gebroeders de Saint Aubin, aquatinten van Goya en de pbantastisohe voorstellingen van Piranesi, litho’s van Manet en etsen van Degas.

Vervolg van pagina 36

is geïllustreerd. Paul Claudel is een buitenlander en een groot man en het is een genot zijn beschouwing te lezen die frisch en oorspronkelijk is en die de meeslependheid heeft van de kracht van Claudels schrijfkunst.

Den vorigen keer kondigden we een serie opstellen van A. J. J. Delen aan en er blijkt nog een deel verschenen: „Oude Vlaamsche Graphiek” (L. J. Veen’s Uitg. Mij N.V., Amsterdam). Ditmaal handelen ze over onderwerpen als de Meester der Passie Delbecq-Schreiber, hoekillustraties van Pieter Coecke van Aelst, Fransche illustrators in dienst hij Christoffel Plantijn enz. enz. Geen lichte kost doch ernstig degelijk geschreven wetenschappelijk verantwoorde studies, uitermate helangwekkend voor wie van grafiek houdt. Goede illustraties. Om een mode-woord te gebruiken: een weinig spectaculaire bundel. Maar zeker een, die zijn belangrijkheid zal behouden.

Aan het voddige geschrift, dat de heer P. Aretino *) onder den titel „Ontaarde kunst” bij de uitgeverij De Driehoek te ’s-Graveland het licht heeft doen zien, ga ik voorbij. Zonde van het kunstdrukpapier, vrij miserabel geïllustreerd en een betoog zonder eenige historiscbe kennis. Eén ding intrigeert me: waaróm schrijft de heer Aretino zoo’n schotschrift? Rondweg kostelijk zijn twee deeltjes in de reeks der King Penguin Books, „Popular Art in Britain” door Noel Carrington en „Children as Artists” door R. R. Tomlinson. In beide een korte en

*) Schuilnaam voor den schilder Paul Citroen.

heldere inleiding en een beknopte toelichting bij de afbeeldingen. In „Popular Art” zijn dat gekleurde teekeningen van Clarke Hutton en reproducties van oude houtgravures. Van alles is er vertegenwoordigd: schepen in flesschen, gemetselde schoorsteenen, boegbeelden, grafzerken, wagens, kinderboeken, draaimolenpaarden, woonwagens, speelgoed, een poppenkast en het interieur van een „pub”. Alles beschouwd en beschreven zonder volksche gewichtigdoenerij en met een behoorlijke litteratuurlijst. „Children as Artists” opent weer eens een venster op het wonderlijke visueele leven van het kind, dat in zijn werk vaak tot opvallend* uitingen komt, die veel overeenkomst hebhen met het werk van de meest bewonderde moderne kunstenaars. Penguin geeft ook de aardige boekjes uit, gewijd aan één schilder, met een inleiding en een aantal gekleurde en ongekleurde reproducties. Van de belangrijkste levende Engelsche schilders zijn dergelijke monographieën verschenen: van Graham Sutherland, van Henry Moore, Duncan Grant, Paul Nash, John Piper, Victor Pasmore en van een aantal anderen. Het is voor een schilder toch wel plezierig, zoon van een wereldrijk te zijn!

Om te besluiten nog twee uitgaven van de Editions Apollo, een boekje van Paul Fierens over de teekeningen van Ensor en een grooter werkje van Jozef Muls over Edgard Tijtgat. Wat daarvan nog te zeggen? Beide schrijvers kennen hun vak en beiden hebben ze een uitstekende studie geschreven. Twee boekjes, welke iedere kunstminnaar dient te bezitten. Gs.