is toegevoegd aan uw favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 1, 1946, no 6, 15-12-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning ook in Allee des Saules” van Laurant Larose. Renée Prinz is groot in ~Le pont de Jambes Ie niatin”. Naar Dufy keek Emile Raes, wat goed is als deze invloed persoonlijk wordt verwerkt. Servranckx bereikte veel goeds in het decoratieve van zijn „Blondheid”.

..Bords de Sambre” van Tainmont Emile heeft iets van het troosteloos grauwe. Het „Landschap” van Louis van der Meirsch is handig gemaakt. Ook „Dijver te Brugge” van Leo van der Smissen is vlot ontstaan. Beide werken missen diepgang.

Bij Edmont van de Vijvere’s „Winterlandschap” dreigt maniërisme. (Elk plan uit het vooraf gereedgemaakte potje).

„De Affich en” van Modeste van Mulders heeft veel goeds. De figuur kon misschien gemist worden. ~Au Vieux Bourg a Gand” van Henri Peterghem is een uitstekende ets. Tot de introducé’s behoort voort nog Victor Stuyvaert, van wien uitnemende illustraties bij Henry de Montherlant’s „La Reine Morte” te zien zijn.

De Beeldhouwers.

Van de introducé’s viel mij het werk op van Valentine Bender. Het sublieme „Dans la Vague” en het speelsche „Suzanna surprise”. De „Jeuiiesse” van Jules Bernaerts doet in zijn eenvoud weldadig aan. Uitstekend is ook de houten „Apostelkop” van Karei Bonaugure. Het stijlvolle „Femme protégeant Tenfant” van Bernard Collie is sterk

van symboliek en bezit karakter. Een natuurtalent zou ik Jean Caneel willen noemen. Vooral in Abandon komt zijn persoonlijkheid sterk tot uiting. De portretten van Fernand Debonnaires zijn eveneens stijlvol en deden mij in hun statigheid even aan de oude Egyptenaren denken. Een sterke actie drukt Victor Demanet uit in zijn „Vouloir”. Zeer suggestief en overtuigend zijn „Tête de nègresse” en „Groupe de danseuses” vaii Arthur Diipagne. Van Leandre Grandmoulin trof mij het gevoelige „Pbryné”. Met twee fragmenten uit het monument „aan de schoonheid” toont Pieter Reekers een uitstekende vakbekwaamheid naast een grootsche visie. •

Van Jef Strymans is er een goede „Eeuwige tragedie”. Ook van Thorenburg bereikte veel in zijn primitieve „Bethsabee”.

Van de niet geïntroduceerde beeldhouwers noem ik Floris de Cuyper met het fijne „Gelatenheid”; een krachtige kop in brons van Jan van Lerberghe en een sympathieke „Erna” van Frans van Ranst. De „Christ noir” van Houart trof mij door zijn eenvoud.

Als ik thans aan het einde van mijn beknopte overzicht van het Belgisch Salon nog eens terugdenk om te trachten mijn indruk van het geheel te formuleeren. moeten mij allereerst eenige opmerkingen uit het hart.

De omlijsting van het werk op dit Salon is verre van modern. De simpele houten lijst, zooals wij