is toegevoegd aan je favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 2, 1947, no 4, 15-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwamen, weggelaten. Naar mate hij ouder wordt, wint de burgerlijke mentaliteit het van zijn gevoel voor humor en wordt zijn werk ook minder gewaardeerd. Ter compensatie ontpopt hij zich dan als de goede vaderlander en schenkt groote bedragen aan !)ej)aalde instellingen. Hij wordt een goed. maar ijdel mensch. waarvan men geen bijzondere j)restaties op picturaal gebied meer verwachten kan. Het grieft hem bijzonder, dat hel vaderland hem niet de eer bewijst, die hem, iiaa? zijn meening, toekomt en op zijn 75ste verjaardag verwacht hij een ridderorde, die hem echter onthouden wordt. Hij begaat dan de smakeloosheid in advertenties van zijn misnoegen over ’s Laiids ondankbaarheid blijk te geven en kiest voor zichzelf een grafschrift, dat luidt:

Hij deed veel voor zijn land. Zijn land deed niets voor hem.

Ongetwijfeld heeft hij niet alleen gedacht aan de groote geldbedragen, die hij weggaf, maar ook aan zijn teekeningen ,toen hij de hulde van het vaderland verwachtte. Hij wordt zoo, helaas, een eenigszins tragisch geval, een figuur, die men zich in onzen tijd nauwelijks meer denken kan. De rustige 19de eeuw liet echter ruimte voor zulk een. nogal mis]>laatste, ijdelheid.

De echte Ver Huell moet men daarom liever zoeken in zijn studententijd en de eerste jaren daarna. Hier toont hij zich een mensch met een sterk gevoel voor humor; hij ziet scherp het belachelijke in zijn medemenschen en zichzelf en zijn zachtaardigheid leid nog niet tot de hinderlijke zwakheid van zijn latere werk. Men kan inderdaad de woorden van een beoordeelaar uit dien tijd beamen, wanneer deze van zijn teekeningen zegt. dat ze zijn „aan de veraanschouwelijking van de Deugd en het Goede gewijd, al is de gedachte niet gehuld in een deftigen tabbert der moraal, al spreekt hij ons toe in een luimige voorstelling.” Deze deftige tabbert der moraal lokte Ver Huell wel eens te veel aan, maar hij heeft een tijdlang de verleiding om hem aan te trekken kunnen weerstaan. De hier gereproduceerde teekeningen bewijzen dit voldoende. Ze zijn grappig en getuigen van levenslust. Ze vertoonen ook niet de technische gebreken, die menige teekening van Ver Huell afbreuk doen, en die ongetwijfeld te wijten zijn aan onvoldoende onderricht. Zijn leermeesters waren tweederangs krachten en vermoedelijk zag \ er Huell. na zijn groote successen, de noodzaak van een degelijke studie der teekenkiinst niet meer in. Hij had. wat dit betreft, ook weer zijn tijd tegen. De bestudeering van het vak stond

in Nederland niet bepaald op een hoog peil. Het gaat overigens niet aan Ver Huell met die minachting te behandelen, zooals Cornelis Veth in zijn boek „Een eeuw Nederlandsche caricatuur” doet. Veth zegt 0.a.: „Ik heb die albums telkens weer willen doorkijken en ben altijd weer erin blijven steken, zooals men bij de lectuur van een vervelend boek blijft steken.” Natuurlijk is dat mogelijk, maar dan ligt dit toch aan Veth. Het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk —, dat Ver Huell de vindingen van de j)renten van de bekende buitenlandsche caricaturisten Cruikshank en Seymour. Bouchot, Victor Adam en anderen gebruikte of nabootste, maar welke teekeiiaar doet dit niet, als hij in een ander zijn meester vindt? Overigens blijkt nergens uit correspondentie of aanleekeningen van Ver Huell, dat hij de genoemde teekenaars kende. Wel heeft hij in zijn later leven van hun roem te lijden gehad, maar in zijn jonge jaren konden deze grootmeesters der caricatuur het in Nederland toch niet van hem in pojuilariteit winnen. Men moet Ver Huell’s werk meer beoordeelen in het landelijk verband en dan stelt men vast. dat hij in zijn beste teekeningen niet onderdoet voor de Camera Obscura in de literatuur. Dat hij. zooals \eth zegt, „een sterk gevoel van eigenwaarde bezat”, zegt niet bijzonder veel, want ook de buitenlanders zullen op dit punt hun gebreken hebben gehad. Ver HuelTs teekeningen worden door velen ik nam de proef ook nu nog genoten, misschien wel juist omdat hel personeel zijn” in onzen tijd vaak tot smakeloosheid leidt. Ver Huell was een begaafd mensch. die het niet helpen kon, dat hij in een atmosfeer leefde, die voor minder persoonlijke naturen dan hij doodelijk was.

Onze negentiende eeuw is eigenlijk goeddeels een imitatie geweest. Men behoeft haar daarom nog niet uit het geschiedboek te schrappen, want dan zou men de eerzame vaderen te veel onrecht doen.

N.V.

„Studeert Mijnheer ?" ,Ik ben Student Mevrouw!" (Uit „Zoo zijn er")