is toegevoegd aan uw favorieten.

Die constghesellen; maandblad voor de beeldende kunst-orgaan van de Nederlandsche Vereeniging van Kunsthandelaren, jrg 2, 1947, no 11, 15-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk W. Kersten en H. van Kruiningen. Beiden behoren zij tot de jongere garde. W. Kersten de meest spontane. Kersten richt zich naar de beweging in het vlak, Van Kruiningen meer naar de zuivere verdeling van het vlak. Beiden hebben zij blijkbaar een grote afkeer van al wat naar naturalisme zweemt.

Vooral het werk van Van Kruiningen is zeer decoratief van opvatting met een zuiver gevoel van de kunstenaar voor harmonische kleurencombinaties. In zijn schilderij ~Plantsoen”, doch ook in andere werken, voerde hij het decoratieve element tot het hoogste op.

W. Kersten is te dien opzichte minder streng, hoewel ook zijn werk van de natuur verre blijft. Niettemin is ook dit aantrekkelijk door lijn en kleur. ~Ochtendtoilet” is zeer fraai, licht, luchtig en zwierig van uitvoering.

Een tweetal schalen door H. van Kruiningen, goed van kleur met prachtig gestyleerde voorstellingen verhogen de belangrijkheid van deze expositie. Te Haarlem op het Houtplein in de Kunstzalen Frans ÏTeerkens Thijssen stellen Lissy Ansingh en een aantal andere kunstenaressen en kunstenaars hun werk ten toon.

Lissy Ansingh, een der zogenaamde „Amsterdamse Joffers”, toont een reeks werken, waarin poppen de hoofdrol vervullen. Zij tovert ons deze poppen voor ogen als levende mensjes, in een romantische sfeer, vaak prachtig van kleBr, subtiel en fijn gevoeld. In het ~Knekelballet”, een werk naar aanleiding van marionetten van Harry van Tussenbroek en in ~Chapellerie frangaise” toont zij haar grote vaardigheid in het weergeven van dergelijke onderwerpen. Behalve uitstekend werk van Sorella, Sierk Schröder en enkele anderen, is in deze kunsthandel een tentoonstelling ingericht van de kunstenares Riek Wesseling.

Dat Riek Wesseling een vereerster is van Kathe Kollwitz blijkt uit enkele harer werken. Toch is zij zichzelf gebleven. Haar accurate tekeningen, waaruit blijkt, hoezeer zij de techniek van het tekenen beheerst, doen weldadig aan. Al haar werk draagt het stempel der welverzorgdheid en van gevoel, dat gelukkig nergens aanleiding is geworden tot overgevoeligheid of dorheid.

LEO K. ZELDENRUST.

Tentoonstellingen

in Den Haag

HAAGSE KUNSTKRING

Portretten en figuren

Steeds positiever blijken zich in het Haagse kunstieven verschijnselen af te tekenen, die er op wijzen, dat er zich in de richting van het goede ambacht een kentering voitrekt en dit niet alleen bij de schilders, die de deugden van een zuivere peinture hoog bleven houden, maar ook bij de waarlijk talentvolien onder aanhangers van meer abstracte bestrevlngen. Er zal wellicht spoedig een tijd aanbreken, waarop men zal constateren, dat beiden elkaar tenslotte goed hebben gedaan. De abstractie, die overigens zo oud is als de wereld, heeft de horizonten der kunst ontegenzeggelijk verwijd en opnieuw gebieden geëxploreerd, die eeuwenlang vrijwel braak hadden gelegen, schijnt haar onmaatschappelijkheid steeds meer af te leggen en zich aan te gorden tot een voor de menselijke samenleving meer vruchtbare exploitatie in ornamentale en decoratieve richting. De feestelijke verluchting van de Pulchrizalen tijdens de viering van het honderdjarig bestaan van deze eerbiedwaardige confrérie toonde hiervan verrassende staaltjes, die ook in zakelijke kringen de aandacht trokken en tot opdrachten leidden, wijl zij blijkbaar genoegzaam aan de eisen van de common sense (die het overigens met deze dingen tegenwoordig zo nauw niet neemt) tegemoet kw'amen. Zo ligt dan een verzoening met de muzen van een rechtzinnige samenleving in het verschiet. Ook portretten en figuren kunnen hiertoe bijdragen. De portrettist heeft in de practijk vanzelf zijn uiteenzettingen met zijn sujetten en hun entourage. Haverman, die het kon weten, zei mij eens: De massa kun je alles wijsmaken (Van Dongen en Picasso weten dit natuurlijk ook), lever ze daarom iets goeds, voed ze op in de goede richting. Een netelig probleem in een chaotisch tijdperk, waarin de meningen zozeer divergeren. Jan Veth schreef eens: In tijden van verval blijkt de kunst zich herhaaldelijk aan portret en stilleven weer op te richten. De viucht in het stilleven is algemeen, het portret geraakt weer en vogue. Mogen wij, nu leden van drie genootschappelijke tentoonstellingen in onze stad met meer dan eens uitnemend geschilderd of gemodelleerd werk voor den dag komen.

dit voor een goede gang van zaken symptomatisch achten ? In de Kring exposeren Pol Dom en zijn dochter, Mevr. Mac Lean, Louis Meys, Theo van der Nahmer, de beeldhouwer, en Jan Franken (die nooit anders heeft gedaan) voortreffelijk portretwerk, dat vermoedelijk wel alle partijen zal bevredigen, te meer daar zich hieronder twee zelfportretten, de beeltenis van een ingenieur en een paar charmante kopjes bevinden, die ook zonder idealiserende opmaak fascinerend zijn. Voorts laten ook Chris de Moor, Joop Kropff, Ronald Lindgreen, Chiem van Houweninge en nog anderen zich niet onbetuigd. Tot het boeiendste van de tenitoonstelling behoren enige met eer> zeldzame kunde getekende naakten van Sierk Schröder, die met hun weloverlegde opstelling en gevoelige materiaalbehandeling tot zo uitnemende resultaten leidden.

PULCHRI STUDIO.

Najaarstentoonstelling

Pulchrl hebben wij in voorgaande beschouwing reeds min of meer betrokken. Ook hier maakt het handwerk een goede beurt. Van een consciëntieus schilder als Jan Bogaerts, om met het gaafste getuigenis van wat er in dit opzicht hier hangt, maar eens van wal te steken, verdient dan wel in ’t bizonder een stilleven de aandacht. Een tinnen schotel met uien en nog wat huishoudelijk gerief is al zo vaak geschilderd, maar dit geschiedt toch niet immer in een vorm van ’n zo innige ambacbtelijke verpuring, waarbij de materie wordt geïmaterialiseerd op een wijze, die haar opheft in een sfeer van meditatieve beschouwelijkheid. Voor een niet minder aanmerkelijk schoon werk van zijn hand, een stervende zonnebloem, op de tentoonstelling van de Nederlandse Kunstkring hebben wij een ander, ietwat jonger schilder, die zelf heel wat in zijn mars voert, met onverheelde bewondering zien staan en van de ambachtelijke perfectie ervan horen getuigen. Dat Jan Bogaerts in de jaren van volste rijpheid met zulk werk vermag uit te komen, mag nauwelijte verwondering baren. Dat Ina Hooft, bij wie men in de regel allereerst aan, niet zonder een delicate verfijning geschilderde, (bloemen denkt, met een zo opmerkelijk goed conterfeitsel als dat van den pottenbakker Nienhuis niet weinig weet te boeien, prouveert niet minder voor haar gaven in ’n andere richting. Zij heeft de kunstenaar blijk-