is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 35, 1917, no 49, 05-12-1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wetsontwerp tot van de Wet van 9 Juli 1900.

De Behandeling in de Tweede Kamer.

V.

A m e n d e m -e n t-K leerekoper.

Door den heer Kleerekoper wordt voorgesfeld om artikel IX, luidende:

Ten aanzien van locaalspoorwegen of van tramwegen, waarop bij het in werking treden dezer wet de dienst wordt uitgeoefend, zijn de artikelen ih en ic van toepassing, behalve voor zooveel betreft punten, waaromtrent te voren in door Ons of met Onze machtiging verkende concessiën is v’oorzien.

Aan de bestuurders van zoodanigen spoorwegdienst kan door Ons voor een daarbij te bepalen rijd ontheffing worden verleend van het in artikel ic vervat verbod. Te lezen als volgt:

Aan de bestuurders van locaalspoorwegen of van tramwegen, waarop bij bet in wierking treden dezer wet de dienst wordt uitgeoefend, kan door Ons voor een daarbij te bepalen tijd ontheffing worden verleend van het in artikel ic vervat verbod.

De heer Kleerekoper zegt dat in art. IX wordt voorgesteld dat bij locaalspoorwegen of tramwegen, die al een concessie hebben, voor de hier bedoelde punten niets met;r behoeft te geschieden.

Hier worden voor de maatschappijen twee ankers gelegd. Maar voor zekeren tijd kan ontheffing worden verleend.

Een algemeene ratio voor deze bepalingen ontbreekt. Wanneer de Minister in de concessie de voorwaarden voldoende vindt, kan hij de concessies zoo laten.

In verband met het door spreker voorgestelde amendement op art. 111, volgt dat hij ook een amendement moet voorstellen op art. IX. Maar er is reeds voldoende waarborg in de bepaling dat de Regeering uitstel kan verleenen om te verkrijgen wat spreker wenscht en daarom wil hij: Volstaan met de Regeering de bevoegdheid te verleenen tot een zeker uitstel aan een maatschappij.

De heer Van Doorn wil oen enkel woord zeggen over het amendement van den heer Visser van IJzcmdoom. Er behoort een zekeren moed toe het behoud van een vyetsbepaling ‘te bepleiten, als men een man van het gezag v'an den heer Visser van IJzendoom hoort zeggen, dat die wetsbepaling uit den booze is. De heer Visser van IJzendoom acht -de strafbepaling niet noodig, maar hij vergist zich- in den grondslag van zijn amendement. Hij zegt: er zijn tw-ee mogelijkheden. De eerste verwerpt hij met spreker al dadelijk, n.l. dat iemand een nieuwe spoor- of tramlijn zou gaan exploiteeren zonder dat hij concessie heeft. Dat zal natuurlijk niet voorkomen.

Het tweede geval is, -dat er een onderneming is die geen concessie heeft en dat de Regeering daaraan een concessie wil opleggen.

Er is echter nog een derde geval, dat door den heer Visser van IJzendoom over het hoofd is gezien, n.l. dat de toncessie wordt ingetrokken. Men zegt dan wordt de dienst gestaakt, maar het kan ook voorkomen, dat de bestuurder zegt: de Minister heeft geen recht die concessie in te trekken dus rijd ik door.

Dit is het derde geval dat zich kan voordoen, n.l. dat het bestuur kan doorgaan al is de concessie ingetrokken. Dit moeten we ook onder de oogen zien. Is het dan niet noodig d,at de Regeering met een strafbepaling tegen den bestuurder kan optreden?

De Regeering kan het rijden wel beletten, maar hoe wil men dit doen? Met den sterken arm kan zij het niet doen. Zij zou een groote politiemacht of militairen moeten requirceren om te beletten dat er gereden wordt. Maar is dat niet een groote omslag? De marechaussee of politie kan daar toch niet voortdurend blijven.

Gaat het aan dat wij in de wet goed vinden dat de Regeering alleen kan beletten door militairen of politie op den weg te plaatsen dat -een spoor of een tram rijdt? De heer Visser van IJzendoom heeft gezegd, dat de Minister de ondememing zal laten rijden, maar tegen den bestuurder een vervolging zal uitlokken. Maar de straffen

zijn 7,00 zwaar, f 1000 boote of 6 maanden hechtenis, dat in de practijk de strafbepaling gelijk zal staan met het doen staken van den dienst.

Spreker acht het amendement daarom overbodig. De heer Beu m e r wil in aansluiting met het betoog van den heer van Doorn, motiveeren waarom hij bezwaar heeft tegen de amendementen van den heer Visser van IJ zendoorn.

Wat de heer van Doorn heeft opgemerkt is voor spreker absoluut afdoende geweest.

Spreker wenscht even te herinneren aan de moeilijkheden die men heeft gehad met een wet waarin die strafbepaling ontbrak.

Spreker is niet zeker, dat als de strafbepaling vervalt wel op de juiste wijze zal worden opgetreden tegen de bestuurders, die in overtreding zijn. Bij de Begrafeniswet hebben wij ondervonden, dat de Minister zeide, dat, hoe;- w,el -er een strafbepaling bestond, het niet zeker was tegen w’ien inocst worden opgetreden. Spreker wenscht iets dergelijks in dit geval te voorkomen. Daarom is spreker tegen het amendement om de strafbepaling te laten vervallen en dus tegen het amendement om art ic te schrappen.

De heer Lely, Minister van Waterstaat, zegt, dat de verschillende amendementen teruggebracht kunnen worden tot 3 groepen.

De eerste groep is die welke de heer Visser van IJzendoom heeft ingediend om de strafbepaling te laten vervallen. Een tweede amendement'-Visser van IJzendoom is genoemd in het amendement E, en het derde amendement is dat op art. IX van den heer Kleerekoper.

Spreker zal die amendementen ieder afzonderlijk behandelen en beginnen met de eerste serie amendementen van den heer Visser van IJzendoom. Deze zijn reeds bestreden door de heeren van Doom en Beumer. Spreker sluit zich bij deze heeren geheel aan. Er is voorgeschreven, dat er geen tram of locaalspoorweg mag worden geëxploiteerd zonder concessie. Nu kan men om dit te doen naleven twee wegen inslaan om een onwillige te dwingen aan de wet tc voldoen, n.l. de strafbepaling en de politicdwang

Spreker wijst op de Gemeentewet, de Woningwet, Kieswet, Motor en Rijwiel-wet enz. Overal vindt men een stra-f-bepaling en een politiedwang. i t- i r

De eerste uitzondering hierop heeft men in de Telefoonwet. Voorts in de wet op de indijking, waarbij men alleen politicdwang heeft. Spreker vraagt zich af of deze laatste wet aan welker samenstelling de heer Visser van IJzendoom zulk een belangrijk aandeel heeft gehad, misschien aanleiding is geweest voor den heer Visser van IJzendoom om alleen politicdwang voor te stellen.

Hij heeft gezegd: als wij deze wet tot stand brengen moeten de onwilligen worden gedwongen. Nu kunnen deze wel 'oens onmachtig zijn ën nu gaat het niet aan dezen verplichtingen op te leggen waaraan zij niet kunnen voldoen. Nu wil de heer Visser van IJzendoom dat de Regeering zal geven of nemen. Of de onderneming helpen of den dienst doen staken.

De heer Visser van IJ zen doorn: Eén van drieën: staken, helpen of uitstel van concessie verleenen.

De heer L e Iy. Minister van Waterstaat, zegt, dat uitstel van concessie wil zeggen niet voldoen aan de wet en dan heeft de ondernemer den Minister in zijn macht. De groote quaestie is, wie moet bij geschil de macht in handen, hebben, de onderneming of het uitvoerend gezag ?

Spreker gaat van de veronderstelling uit, dat de uitvoerende macht gehoorzaamheid aan de wet moet kurinen afdvvingen. De voorsteller wil aan de belanghebbenden een groot voordeel geven boven de uitvoerende macht.

Veronderstel, dat er oen, quaestie komt, dan kan de concessionnaris volstaan met niets te doen. De Regeering kan den dienst doen staken. Wie krijgt de Re.geering dan tegen zich? Alle belanghebbenden uit de streek en misschien ook het personeel. Den weg van den voorsteller kan men dus niet volgen.

Op deze gronden meent de Minister de aanneming van de amendementen ten sterkste te moeten ontraden.

Wat de tweede groep amendementen aangaat, dus sub B, de bezwaren daartegen zijn vervallen, na de tweede editie daarvan. De zaak is hier van niet zooveel gewicht. .'\ls de