is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 36, 1918, no 10, 06-03-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeen uit te voeren, geeft prof dr. \V. Kummer te Ziiïich in de ~Schwe.izerischc Bauzeitung” Bd. blz. 5 een ander middel aan, dat volgens hem als noodmaatregejl zeer wel uitvoerbaar zou zijn, n,l. het verhitten van locomotiefketels door electriciteit, waardoor dus tijdelijk een ~half-electrisch'’ bedrijf op die spoorwegen zou woirden ingevoerd. Juist met het oog op de plannen tot eloctrificatid is volgens den schrijver deze maatregel aangewezen, daar dc benoiodigde leidingen wel in korten tijd zoodanig zonden kunnen worden uitgevoerd, dat ze ook voor het toekomstig bedrijf met electrische locomotieven te gebruiken zouden zijn.

Dit vraagstuk is inderdaad typisch Zwitsersch. want in andere landen, waar door het ontbreken van de noodige waterkracht de electrische energie niet zoo goedkoop' en bovenal niet zonder steenkool verkrijgbaar is. zou m-en aan een dergelijken maatregel zelfs hiet kunnen denken. Prof. Kummer berekent, dat zelfs voor kolenprijzen van I'r. 80,— per ton, die thans reeds in Zwitserland betaald worden, de voorgeslagen verandering zooial niet goedkooper uitkomt, dan toch in ieder geval niet duurder wordt.

De electrische energie wil hij niet vinden door het oprichten van nieuwe centrales, doch door van regeeringswege verschillende groote electrotechnische fabrieken, die thans toch Vioornamelijk voor de oorlogsbehoeften van het buitenland werken, te dwingen, hunne electrische energie voor die spoorwegen beschikbaar te stellen. Violgens hem zouden in denzelfden tijd. dat de electrische leidingen werden aangelegd, ook de noodige wijzigingen aan de stoiomlocomotieven wel kunnen worden uitgevocrd. z,oodat binnen betrekkelijk korten tijd het Iredrijf op deze wijze zou kunnen worden ingevoerd.

Met gebruikmaking 'van verschillende gegevens.' door de spüorwegm.aatschappijen ieder jaar gepubliceerd en onder aanname van 'verschillende coëfficiënten, komt de schrijver tot de 'slotsom, dat de bcnoodigde energie voor het electrisch verhitten van locomotiefketels ongeveer 10 maal zooveel bedraagt als 'voor het werkelijk electrisch bedrijf, dus met electrische locomotieven.

Neemt men als basis een kolenprijs van Fr. 100,— per ton. die 'volgens den schrijver in Zwitserland stellig binnen afzienbaren tijd bereikt zal worden, en een electriciteitsprijs va,n 1,5 centimes per K, NV. U., dan zijn de stoomkosten met electrische verhitting 10 pCt. lager dan met steenkoolstoken. Voor de Gotthardbaan b.v. worden de kosten bij electrische verhitting berekend op 0.72 centimes per ton-kiloincter van het totaal treingewicht. terwijl bij steenkolenstoken deze kosten 0,80 centimes bedragen. De schrijver erkent, dat de electriciteitsprijs, hierbij zeer laag is aangenomen in vergelijking met den prijs van 2,61—2,77 centimes, waartoe de Studiecommissie voor de electrificatie van een gedeelte der Schweizerische Bundes Bahnen komt. Toch me-ent hij dezen lagen prijs wel te mogen aannemen. omdat de centrales niet, zooals bij: vol electrisch bedrijf, voor een maximaal vermogen van eenige malen het gemiddelde vermogen h'erekend behoeven te worden, daar de stroomwisselingen belangrijk geringer zullen zijn, wegens het overbrengen van die wisselingcin op den stoomketel. Bovendien ziou de electrische energie in hoofdzaak door do grootindustrie geleverd moeten worden, waardoor de kosten ook belangrijk lager zouden zijn.

In de verhouding tusschen kolenprijs en electriciteits prijs is evenwel nog geen rekening gehouden met de kosten voor den aanleg der leidingen en de wijziging der locomotieven.

Bij de plannen voor de electrificatie van de Gotthardbaan zijn de leidingkosten aangenomen op 0,043 centimes per ton-kilomcter van het totale treingewicht, welk bedrag onder dc tegenwoordige omstandigheden -wel op 0,06 centimes gesteld mag worden. .Schat men verder de kosten \mor de wijzigingen aan de locomotieven op 0,020 centimes per T. K. M„ dan bedragen de totale kosten 0,724-0,06 (-0,02 = 0,80 centimes per T. K. M., dus juist evenveel als voor het stoken met steenkool.

Dc schrijver acht met deze berekeningen het bewijs te hebben geleverd, dat als noodmaatregel het electrisch verhitten van locomotiefketels zeer zeker in overweging ge-

nomen kan worden. (.)f echter deze economisch uitvoerbaar gebleken maatregel ook technisch succes zou opleveren, is a priori niet te zeggen en zou door proeven uitgewez'en moeten worden. De schrijver dringt er dan ook op aan, dat reeds thans met medewerking der regeering proeven in dien geest genomen zullen worclen, die heel best zouden kunnen worden uitgevoerd met een gewijzigde stoomlocomotief op een lijn, .waar het volle electrisch bedrijf reeds is ingevoerd. Wanneer deze proeven gunstig zouden uitvallen, dan zouden in de eerste plaats die spoorwegen, waarbij de plannen voor electrificatie reeds vasten vorm hebben aangenomen, tot de wijziging moeten overgaan, waarbij' nog is oj) te merken, dat na het totstandkomen van de volledige electrificatie de voor electrische verhitting ingerichte stoomlocomotieven iiitstek<‘nd als reservemachiues hun tijd kunnen uitdiemm.

In hetzelfde tijschrift, blz. 33, geeft ingenieur L. Thormanu naar aanleiding van het artikel van prof. Kummer, als zijn meening te kennen, dat de technische zijde van het plan reeds van te voren als onuitvoerbaar bestempeld kan woirde'u. De conclusie van prof, Kummer overnemende, dat dc electrische verhitting 10 maal zooveel energie verbruikt ,als het geheel electrisch bedrijf, en dat voor i K.G. stoom noodig is i K. W. U,, gaat deze schrijver bij zijn berekeningen verder uit van eene stoomproductie bij' electrisch verw'armde ketels van 12 K.G. per uur per V. 0., hetgeen uit kortgeleden genomen proeven als resultaat is gebleken en oen ketelgewicht van 80 K.G, per O. In een voorbeeld berekent hij; nu voor een totaal treingewicht van 400 ton (locomotief inbcgropcn) en io%o stijging; bij zuivere electrische tractie het benoioidigde energieverbruik over I K.M. op 22 K. W. U., 'dus bij' een snelheid van 55 K.M. per uur voor de gemiddeld to-egevo'erde electricilcit 1100 K.W.

Bij electrische ketelverwarming wordt dus' de totale energie 10X22 K, W, U. en de gemiddeld toegevOierde electriciteit 11.000 K.W.

Voior I K.M. is dus de bcnoodigde hoeveelheid stoom 220 X 1 -220 K.G. waaruit volgt, dat de ketel een vermogen moet hebben van 50 X 220 =-■= n.ooo K.G. stoom per uur. Het verwarmend oppervlak zon hiervoor moeten be, nooo , dragen = cjiy M-.

Neemt men aan, dat de te wijzigen locomotief leen V.O. van 250 NP. heeft, dan zouden dus nog ruim 650 M-. toegevoegd moeten worden, wat een vermeerdering aan gewicht geeft van 650x80= 52.000 K.G. Tengevolge van deze uitbreiding van den ketel wordt natuurlijk ook het gewicht van frame en wielen grooter. terwijl ook nog op het gewicht van de noodige transformatoren is te rekenen. In het bovengenoemde voorbeeld zou dus een vermeerdering van het doode gewicht met ongeveer 80 ton het gevo-lg zijn. Het V. O. kan evenwel kleiner dan 917 NP. genomen worden. wanneer men een stoiomaccumulator aajihrcngt, waarm . dus bij daling of op, de vlakke baan stoom verziameld kan worden. Het gewicht van een dergelijk reservoir is echter eveneens frela.ngrijk, vooral als het groot .genoeg moet zijn om. bij eenigszins lange stijgingen te dienen. In ieder geval zal dus het dopde gewicht tot ongeveer het dubbele of drievoudige- vergroot worden, wat weer van o.ngunstigen invloed is op het onergieverb-ruik -en natuurlijk ook de wijzigingskosten belangrijk Verhocgt.

Het 10-voudige energieverbruik voor electrische ketelvcrhitting zou ook tot buitensporige uitkomsten leiden. De Bern-Lötschberg-Simplon-l)aan b.v. heeft bij het tegenwoordige geringe verkeer gemiddeld 1000 K.W. gedurende 24 uur no.odig. vanaf de waterkrachtcentrale. Deze laatste heeft l)ij den laagstelt winterwaterstand een vermogen van ongeveer 2000 K.W.. zoodat voor het 10 vcudige verbruik er nog 4 gelijke centrales bijgebouwd zouden moeten worden of wel de bcnoodigde energie van elders zou moieten, worden aangevoerd, wat zeer zeker tot gevolg zou hebben, dat de electricitcit nimmer voor den door p-rof. Kummer aangenomen lagen prijs van 1.5 centimes per K. W. U verkrijg'baar zou zijn.

De heer Thormann komt door deze overwegingen tot de slotsom, dat het voorstel van prof. Kummer niet econo-