is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 36, 1918, no 52, 25-12-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

€r voldoende werd gereserveerd voor vernieuwingen en het personeel behO’Orlij'k werd betaald dan zou blijken, dat de maatschappijen er nog slechter voor staan dan volgens de J a| a r e ij f e r s.

Het gevolg van die financieele ellende deed zich reeds vóór den oorlog gevoelen: het loon was werkelijk totaal beneden peil, en het is dat nog. Het 'materieel de uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken was beneden peil, weg en werken eveneens, de aansluitingen ontbreken dikwijls, van doorvervoer van de eene lijn naar de andere is gewoonlijk geen sprake, ook omdat de eene maatschappij soms in beteren toestand verkeert dan de andere en hot materieel van de eene dus niet in de treinen van de andere kan worden geschakeld.

Wat is van dit alles het gevolg ? Als men dit geld geeft, zal er binnenkort meer noodig zijn. De 'Overheid zal nog meer voorschotten of subsidies moeten geven, om de lootten op peil te brengen, als de 8-urige arbeidsdag zal w-orden ingevoerd en vernieuwingen moeten worden aangebracht. Want ook dat wordt eenmaal noodig. Er zijn rrtaatschappijen, die hun wagons gebruiken, totdat de laatste in elkaar valt en de rails laten liggen tot de laatste volkomen versleten is, maar ook daar komt een einde aan.

Nu is er een nieuw verschijnsel de aanleiding tot het wetsontwerp, dat zoo dadelijk behandeld zal worden de zwakste 'maatschappijen willen er af. Die neiging moet, naar mijn meening, door de Regeering worden geactiveerd, ik denk haast, dat ook de Minister het wel met mij eens zal zijn, dat er veel te veel tramwegmaatschap'pijen zijn.

Ik heb den heer Niemeijcr hooren zeggen, dat er nog te weinig tramwcgonderncmingen' waren. Ik mo.et aannemen, dat hij 'bedoelt: te weinig tramweglijnen. Dat men op dit oogenblik nog zou verlangen naar meer tramwegondernemingen, kan ik mij niet vooirstellen.

Men zal mo'eten gaan in de richting van wat in de spoiorwegpolitiek heet concentratie. Minder ondernemingen dat zal noodig blijken, omdat dit de eenige manier is om te krijgen krachtiger ondernemingen, om te bezuinigen op de algemieene kosten, om te maken dat de lijnen als één geheel worden geëxploiteerd, om te komen tot behoorlijke aansluiting en tot doorvervoer.

Ik hef) in de afdeelingen de aandacht gevestigd op het Belgische stelsel. Natuurlijk niet met de bedoeling om dit als het ideale stelsel aan te prijzen, dat men hier oo.k maar moest invO'eren, maar alléén met het doel' om er op te wijzen, wat te bereiken ware geweest indien men van het begin af aan zich meer doordrongen had van het denkbeeld, dat concentratie oiok van tramwegondernemingen evengoed als van de spoorwegondernemingen, zij het ook natuurlijk niet in die mate, noodig was.

Als men nu nog stond voor een schocnne lei, als er dus nog geen tramwegondernemingen waren, dan was het veel gemakkelijker door te voeren. Maar het is moeilijkcr naarmate er meer maatschappijen zijn. Want al zijn ze zwak. het is altijd moeilijk om ze kwijt te raken. Ik' geloof dat, nu zich de neiging voordoet bij de z.wakste maatschappijen, dat zijn die welke men het eerst moet kwijt raken, om het O'p te geven, de Regeering die beweging moet activeeren en ook verder op concentratie moet aansturen.

De tramwegen hebben hun besten tijd gehad in dezen zin. dat op groote schaal locaalspoorwegen met normaal spoor zullen moeten worden aangelegd. Voor streken waar het vervoer eenigszins intensief is, is dit de ware oplossing. In een vooruitstrevende provincie als Noordbrabant heeft men dit reeds ingezien en daar is in een staat van verge\'orderde voorbereiding een locaalspoorwegplan voor de heele provincie, dat tot stand zal worden gebracht door Staat, provincie en gemeenten.

Dat is 'm.i. de oplossing voor de streken waar een eenigszins intensief vervoer is t-e verwachten. Maar er zullen altijd noodig blijven schakels daartusschen in, waar het vervoer minder intensief is, waar de bebouwde kommen mocton worden bediend. Dat is de toekomst onzer intercommunale tramwegen.

Er is nog een reden voor concentratie: een aanmerke-

lijk deel van het tramwegmaterieel is totaal, een ander deel vrijwel versleten, een ander verkeert nog in vrij goeden, staat. Bij concentratie nu kan men het beste materieel intensiever gebruiken en het slechtste buiten dienst stellen

want dan is meer economisch gebruik mogelijk. De drukste lijnen kan men dan electrificeeren dat wordt beter moigelijk, naarmate de electrische stroom goedkocp'er wordt en het oude stoo.mtrammaterieel gebruiken voor het minder intensieve verkeer. Ik heb reeds gezegd; ik zal het Belgische stelsel niet verder aanbevelen; ik zou slechts don Minister willen vragen ons eens uiteen te zetten welke zijn denkbeelden zijn en den indruk te vestigen dat hij wil een krachtige tramwegpolitiek.

Hr moet iets .op gevonden worden. Men kan niet, zooals nu, als een .maatschappij er af wil, maar plotseling een oplossing improviseeren. Dergelijke improvisaties zijn gevaarlijk, want zij geschieden eenigszins op losse schroeven zonder goede deskundigen en zonder accountantsonderzoek. Ik zoude daarom wenschen dat een vaste organisatie voor dit doel werd in het leven geroepen. Dit was juist een reden, om te wijzen op het Belgisch stelsel, waarin de afzonderlijke lijnen zoo practisch worden ondergebracht. Laat de Minister er zijn gedachten eens over laten gaan: Laat hij ons mededeelen welke politiek hij in deze wenscht te voeren en tevens of hij één oplossing wenscht of verschillende in verband met verschillende gevallen, maar laat hij ons in het laatste geval duidelijk maken welke groote lijnen hij in zijn tramwegpolitiek wil volgen om in de naaste toekomst tot een behoorlijk resultaat te komen.

Dit is absoluut noodig. Men zal allerlei maatregelen moeten nemen om te maken, dat wij niet ten achter komen in den strij'd der naties, maar dan moeten wij ook vooral een zoo zwak punt in onze uitrusting als nu nog onze tramwegen zijn, aanpakken en verbeteren.

De heer 'Van der Waerden: Mijnheer de \'oorzittcr! Ik zou een vraag willen stellen aan den Minister van Waterstaat en over dit wetsontwerp' eenige opmerkingen maken. In de Memorie van Antwoord lees ik omtrent de vroegere lijn Tiel--Buren—Culemborg, dat de ambtsvoorganger van dezen Minister een onderzoek heeft ingesteld, dat de provincie niet geldelijke medewerking geweigerd heeft, doch dat de streek niet voldoende geldelijk wilde bijspringen, reden waarom to-estemming tot liquidatie gegeven is. Deze mededceling is van 26 October 1918, en nu heb ik een paar dagen later in de „Nieuwe Rotterdamscbe Courant” van i Noivember gelez'en, dat de Regeering beslag had gelegd op al de gebouwen en al het materiaal \-an die tram’wegmaatschap'pij.

Ik zou gaarne van de Regeering vernemen, hoe deze dingen met elkander in overeenstemming zijn te brengen.

Naar aanleiding van het wetsontwerp wil ik vragen, wat het effect zal zijn van dit ontwerp en van het andere in zake verzekering der dienstvaardigheid —, dat er mede in verband staat. Het komt mij voor, dat dan enkele maatschappijen, die rentelooze voorschotten of subsidie ontvangen, en enkele locaalspoorwegmaatschappijen zullen gaan rijden, maar dat voor andere maatschappijen de steun onvoldoende zal zijn en zij het verkeer niet opnieuw zullen openen.

Nu heb ik tot mijn verbazing gezien, dat de Minister zich in de Memorie van Antwoord op het standpunt stelt, dat hij bij een dergelij'ken onwil van een maatschappij om haar belangrijke publieke functie te vervullen, geen enkel middel tot zijn beschikking meent te hebben om het verkeer te onderhouden. Hij zegt:

~Oplegging van exploltatiedw'ang is in dat wetsontwerp niet geregeld, omdat de ondergeteekende, andere bedenkingen daargelaten, niet inziet, hoe een onwillige of onmachrige onderneming met vrucht genoopt zou kunnen worden tot voortzetting van het bedrijf.”

Men ziet dus dat de wetsontwerpen juist voor deze gevallen onvoldoende effect sortecren, en nu wil ik opmerken, dat wij, naar het mij voorkomt, van de Regeering moeten weten, hoe zij in de toekomst ten aanzien van dit zeer belangrijke vervoermiddel staat. Het wordt wel door de Regeering verschoven naar an-

(Vervolg van dit artikel op pag. 413).