is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 38, 1920, no 32, 11-08-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ters, die den bewegingsweerstand der lucht en der rookgassen op hun weg door rooster, ketel-, en schoorsteenkanalen doen kennen.

De hiermede verrichte waarnemingen geven volkomen opheldering over den toestand der vuren, wat de juiste hoogte en het goede doorbranden betreft, ddarnaar regelt men dan den stand van den demper en wel zoodanig, dat een economische verbranding mogelijk wordt. De kleinst mogelijke demper-opening, waarbij: het vuur dog goed doorbrandt, zal het voordeeligst zijn voor ontwikkeling van de vereischte hoeveelheid stoom. Hierbij IS de overmaat van lucht zoo klein en het koolzuurgehalte der rookgassen dus zoo hoog mogelijk.

Mwr proeven," mët ; : den trekmeter te nemen, kan ge- , makkelijk worden vastgesteld, met welken overmaat van verbrandings- ; lucht de stoker bij een bepaalde soort kolen eens en voor altijd werken moeL

Van niet minder belang is de meting van temperatuur en kool-

zuurgehalte der rookgassen bij het binnentreden van het schoorsteenkanaal; blijkt, bij zoo hoog mogelijk koolzuurgehalte, de sterkte van den trek en de temperatuur der afgewerkte rookgassen zoo laag mogelijk te zijn, zonder dat nog onverbrand kooloxyd daarin voorkomt, dan volgt daaruit dat de brandstof zoo voordeelig mogelijk benut is. Men moet daarbij wel bedenken, dat de zelfregistreerende koolzuurmeters meestal gevoelige instrumenten zijn, die zorgvuldige behandeling en goed onderhoud vereischen. Bij hand-stoken zal men het gemiddeld tot 8 k o pCt. ■ bij machinaal-stoken tot lok 12 pCt. koolzuur gehalte kunnen brengen.

Bij het stoken van ketels moet rookontwikkeling in den

schoorsteen zooveel' mogelijk worden vermeden, uit een oogpunt van zuinig werken, maar ook wegens den overlast door roet enz. voor de omgeving.

Daarom is het goed, de brandstof in geregelde tusschenpoozen, liefst onafgebroken, aan te voeren, opdat steeds in voldoende mate lucht toetreden en deze zich vermengen kan met de verbrandingsgassen; de brandstof moet volkomen tot haar recht komen.

Zeer aanbeve enswaardig zijn de machinale stookinrichtingen, ook wegens de vereenvoudiging van het werk der stokers.

I ketel-installatiën, waarbij: de brandstof uit kolenhokken wordt aangevoerd, doelmatig in te richten behooren zij, behalve van een zelfw'erkenden kolenstoker ook voorzien te worden van een eveneens zelfwerkenden aschafvoerder. Ook verdient overweging: i°. de aanbrenging van automatische, zelf-registreerende kolen-weegtoestellen, die de hoeveelheden tijdstippen van verbruik onafgebroken opteekenen.

2 . de aanschaffing van electrische thermometers, die het mogelijk maken, van één enkel punt uit overzicht te hebben en toezicht te oefenen op de temperaturen der rookgassen op hun weg door en langs den ketel. Van groot belang is tevens ; het vraagstuk der ketelvoeding. Zoo moet het voedingwater zoo min mogelijk ketelsteen-vormende stoffen bevatten, moet de voeding gelijkmatig en vooral in goed verband met de stoom-afgifte geschieden.

Het vöedingwater moet, alvorens in den ketel te komen, door een met afgewerkten stoom of rookgassen verhitten voorwarmer worden geleid; vooral de laatste soort („economiser”), die bij nagenoeg alle bestaande lketelskan aangebracht worden, mag niet ont- Jbreken te meer, daar de temperatuur der afgewerkte rookgassen in het naar den schoorsteen leidende kanaal biina steeds nog hoog genoeg is, om het verlies, door benutting voor den verwarmer geleden, zonder schade voor den vereischten schoorsteentrek te kunnen dragen. Zooals hierboven reeds werd opgemerkt is plaatsing van een voedmgwatermeter gewenscht. Heeft men water- en kolenverbruik eenmaal bepaald, dan is men elk oogenblik in. staat, zich op do hoogte te stellen van de verdampingsverhouding en hierdoor van het rendement der ketelmstallatm, in verband met het geheele bedriif.

Ten einde zelfwerkende, gelijkmatige, doelmatige voeding van den ketel te verkrijgen kan men gebruik maken van een voor de „Hanomag" door ingenieur Reubold geconstrueerden „waterstand-regelaar”, met een alarmsignaal' voorzien, dat bij te overvloedige en bij gebrekkige voeding waarschuwt.

Bij pijpketels met schuinliggende pijpenstellen en hoogliggenden waterspiegel kan de stoker dikwijls slechts gebrekkig den waterstand in het peilglas waarnemen; daarom heeft de ,„Hanomag” een laag geplaatst waterpeil-toestel in den handel gebracht, dat in dit euvel voorziet en goed voldaan heeft.

Fig. 12. Zelfwerkende kolentoevoer en asch-afvoer voor een Hanomag-pijpketel-installatie.

In vervolg op het hierboven reeds aangaande oververhitters opgemerkte moge hier nog op het volgende worden gewezen. i

De oververhitter moet geregeld worden doorgeblazen om roet en asch uit de rookkanalen afkomstig, te verwijderen. Of de voor verzadigden stoom bestemde oude pijpleidingen zonder meer voor oververhitten stoom kunnen worden benut, hangt af van hun staat van onderhoud, binnenmaat en wanddikte. In leidingen voor oververh, stoom laat men grootere stoomsnelheid toe en getroost zich dan liever een gering drukverlies dan temperatuurverlies, bij kleine snelheden.

Het spreekt vanzelf, dat ide geheele ketel-installatie, evenals de stoommachine van tijd tot tijd grondig moet wordeti nagezien, omdat vuile vlampijpen, vuurgangen, rookbuizen en ketelkanalen, en vuile ketels met veel ketelsteen, een