is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 38, 1920, no 51, 22-12-1920

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet inbranden der leidingpalen, waarop wij bij deze bespreking vooral het oog hebben, kan een grondige desinfectie geschieden; dit inbranden zou een Ideale wijze van conserveeren kunnen zijn, als zij diep genoeg in den paal kon doorwerken maar, wanneer de zwammen eenmaal door deze beschermende laag heen hun weg gevonden hebben, dan heeft het verkoolde oppervlak zijn beveiligende werking verloren.

Men was er daarom reeds op uit, ook in de diepere houtlagen de zwammeii te vernietigen; desinfecteerende chemische stoffen zijn hiervoor bijzonder geschikt en werkelijk gelukte het door sterke ontsmettingsmiddelen het hout vrij van zwam-kiemen te houden en voor onbepaal■den tijd te conserveeren. Maar dan moet aan twee voorname voorwaarden worden voldaan.

IC Idet conserveerings-middel moet alle aan bederf blootgestelde plaatsen, ook het inwendige van den paal beschermen. ( ,

2e. Het moet duurzaam blijven voortwerken. Deze voorwaarden zijn in de practijk slechts met meer of minder groote moeite, al naar gelang van houtsoort en conserveeringsmiddel, te vervullen.

Het is duidelijk, dat een nog zoo grondig bestrijken met steenkolen-teer-olie, carbolineum, phenol-oplossingen, sublimaat en dergelijke stoffen, evenals het inbranden, slechts voorbijgaande beschutting verschaft, aangezien het inwendige onbeschermd blijft. Het is louter toeval, als een microscopisch kleine zwamdraad ten laatste toch niet een scheur of kloof, of ook wel van boven af voortschrijdende, vindt waardoor hij in het onbeschermde vochtige binnenste geraken kan. Daardoor juist is het bestrijken, ook met stoffen in heeten toestand', en het drenken, als e e n i g beschuttingsmiddel principieel af te keuren. De aan de bescherming door een houten koker (hoewel eenige gunstige ervaringen daarmede voorkwamen) verbonden bezwaren werden reeds vermeld.

Van de grootste beteekenis zijn alle methoden, die ten doel hebben de geheele gevaarloopende houtmassa, dus ook de binnenste kern, voor bederf te bewaren.

Deze eigenlijke impregneerings-methoden wenschte ik volgens hun werking, vooraf in twee groepen te onderscheiden.

I. Impregneering met teer o 1 i e-b eva 11 en d e middelen. ( I . j

11. Impregneering met dialyseerbare oplossingen, n.l. waterige oplossingen met myodet-werking. De impregneering met teerolie lijdt aan het ernstige euvel, dat het te veel van de houtsoort afhangt, of de olie werkelijk en met vrucht tot het inwendige van het hout doordringt en dat zij daarom eigenlijk alleen bij loofhout doeltreffend kan worden toegepast. De oorzaak hiervan schuilt in de eigenschappen der teerplie en in die van de celvliezen der houtvezels en ten

slotte meer bepaald in de anatomische structuur van het hout. Teerolie bevat, naast benzol en ©en benzolachtige vloeistO'f, als werkend bestanddeel Oiok kresol, waarvan minstens 12 pCt. aanwezig moet zijn, wil de impregneering merkbaren invloed hebben. ( i

Bovendien bevat teerolie een reeks zeer gecompliceerd gevormde stoffen, die er niet in opgelost, doch enkel in den vorm van bellen aanwezig zijn; teerolie is een „kolloïdale” oplossing. Hieruit moet ieder, die bekend is met de anatomie der houtcellen, tot een volstrekte pfkëuring dezer methode komen.

Tot juist begrip dezer dingen moge het vergund zijn, een weinig over de anatomie van houtcel en houtweefsel uit te weiden.

Het loofhout bevat loodrecht, in de richting van den stam, loopende buizenstelsels, die als waterleiding dienst doen. Als men loofhout, in de een of andere vloeistof gedompeld, onder ©en druk van verscheidene atmosferen brengt, dan kan men deze vloeistof in de met lucht gevulde „vaten” (zoo worden de buizenstelsels genoemd) inpersen en zóó het houtlichaam betrekkelijk gemakkelijk impregneeren. Voor de impregneering is het zuigvermogen der, ■droge, tusschen deze vaten liggende houtvezels voldoende.

daar zij zich van uit deze vaten geleidelijk met neerings-vloeistof verzadigen.

Bij het hout der coniferen (naaldhout) ontbreken deze vaten. Er zijn daar in ’t geheel geen doorloopende celverbindingen, die een onbelemmerd indringen der vloeistof mogelijk maken; zij moet dus deels den loop der mergstralen volgen, deels van Cel tot cel worden geperst, waarvoor hooge druk, en veel tijd, noodig zijn. Zooals bekend, verandert het hout van hoornen gewoonlijk langzamerhand in dien zin, dat in den loop der jaren een vaste inwendige kern, het „kemhout” ontstaat.

In deze kern zijn een deel der poriën van de celwanden geheel met houtzelfstandagbeid gevuld en zij' bieden hierdoor den grootsten weerstand aan het indringen van het drenkingsmiddel. Terwijl de pijnboom bijna enkel uit „splint” bestaat, heeft de larix een aanmerkelijk gedeelte kernhout en nog meer de s par en de den. Nu is het duidelijk, waarom bij deze juist voor leidingpalen zoo geschikte houtsoorten de impregneering gedeeltelijk haar doel miste. I

Aan den eenen kant buitengewoon hooge kosten, daar men, naar men meende gedwongen was, alle deelen met de dure, tegenwoordig nauwelijks te bekomen teerolie te drenken zonder in aanmerking te nemen, welke deelen het werkelijk behoeven; aan den anderen kant; de de o n beschermde kern!

Het ligt dus voor de hand, dat men, door de tegenwoordige schaarschte en duurte der teerolie, van zelf zijn toevlucht nemen moet tot de andere impregneermiddelen, allereerst de „mycocide” zouten.

De meeste ervaring heeft men hierbij van het zoogenaamde „kyaniseeren.” Bij -deze methode worden de palen gedurende 8 tot 14 dagen in een 0,8 pCt. kwik-sublimaatoplossing ondergedompeld gehouden. Hoewel het sublimaat bij het drenken niet diep indringt, heeft het kyaniseeren toch menigmaal als doeltreffend middel, om de binnenlagen te beschermen, voldaan.

Hoe kon dit? Volgens de ervaring dringt het sublimaat slechts eenige millimeters, hoogstens i cM. ver, in het hout. Het wordt spK>edig reeds door het in de weinige plasmaoverblijfsels der cellen aanwezige eiwit gefixeerd en kan, tengevolge van een nog niet opgehelderde oorzaak, niet verder doordringen.

-Dat evenwel toch gekyaniseerde palen van binnen goed blijven bewijst, dat in vochtigen grond eerst een langzame diffusie Van het sublimaat naar het inwendige van het hout plaats heeft; zijn dan evenwel de buitenste houtlagen, gedeeltelijk door wegtrekken van het sublimaat naar de kern, gedeeltelijk door uitloopen onder den invloed van het vocht in den grond, arm aan sublimaat geworden, dan begint de terugtrek en wel met grootere snelheid, omdat slechts geringe hoeveelheden van het zout deelnamen aan de aanvankelijke verplaatsing naar de kern. Op deze wijze wordt het vergaan van het gekyaniseerde hout verklaard, welks duurzaamheid door de zoo sterke leven-vemietigende eigenschappen van het sublimaat, nagenoeg onbeperkt zijn moest. Van dit verschijnsel gaat nu mijn nieuwe methode uit en tracht de osmotische werkingen en de diffusie-gebieden aldus dienstbaar te maken aan de conserveering van het hout.

De nieuwe methode kenmerkt zich door het volgende : Een conserveerings-stof van bijzondere samenstelling wordt in sterk geconcentreerden toestand, zonder beschadiging der houtvezels, automatisch, machinaal, ingespoten door middel van in het hout aangebrachte „entspleten” of „entprikken” en geraalrt op deze wijze in de binnenste houtkern, waarna geleidelijk de eigenlijke impregneering tengevolge van osmotische werkingen, door diffusie van de geconcentreerde oplossing plaats heeft.

Q -X*.V^X^*X. Tot dusver trachtte men door de impregneering d a d e-1 ij k alle gevaar loopende deelen van het hout doeltreffend voor bederf te bewaren, doch deze uitkomst was daarbij niet anders te bereiken dan door gebruik van aanzienlijke hoeveelheden desinfectie-middelen, en omslachtige, moeilijk vervoerbare inrichtingen. Door middel van de hier te bespreken uitvinding komt men tot hetzelfde doel, onder belangrijke materiaalbesparing, waarbij het zelfs mogelijk