is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 39, 1921, no 40, 05-10-1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker vijftien jaren door een dichterlijken tramlijder aus einem Gusz aan het papier werd toevertrouwd, werd uit het archief te voorschijn geroepen en door den verdienstelijken schepper zelf voorgedragen. Wij kunnen de verleiding niet weerstaan, om dit historische stuk aan de vergetelheid te onttrekken, omdat het zoo uitnemend illustreert wat er destijds in het hart van den tramman kon omgaan. Hier volgt het:

Reqnegt van tram Zoo en Zoo aan den Minister. Tram Zoo en Zoo komt tot Uw Excellentie Als Smeekeling. Hij heeft niet de pretentie Te denken dat hij iets aan ’t recht ontleent.

Hij hééft geen recht. Een dwaas, die ’t andem meent. Dies smeekte hij dan: ~Och, laat mij toch niet sterven. Niet aUe blijk van Uw genade derven!

Ik rij me dood,, ik ben zoo arm als Job. Och, Excellentie-mijn, och hou met eischen op! Sinds jaar en dag slagregent het ukazen. Voorheen was ’k heer, nu stik ik in de bazen.

Deez’ enquêteert, die maakt een reglement, ’t Spreekt alles mee, waarheen ik d’ oogen wend. De Raad van Toezicht laat mij eeuwig schrijven. Mijn Inspecteur ligt maar te ouwe wijven.

Een Ingenieur, die m’ altijd zoeken mot, Die zegt om ’t andere woord: ~De ketel is kapot’ . Dan ben ’k zoo goed, geloof me. Excellentie,

En lap hem weer. Maar da’s een penitentie! ’t Is altijd maar: „Je rommel is oud roest”. Al was het waar, het maakt een engel woest. Nu is mijn wensch: Toe, wil eens iemand zenden.

Die in z’n lijf iets voelt voor dividenden. Mij scheldt men uit. Mijn arme Directeur Hoort niet dan: „’t Is jou schuld, dat ik geen renten beur .

Het Antwoord van den Minister.

Ik sta verbaasd van zooveel jammerklachten. Tram Zoo en Zoo deed goed, naar mijn gedachten, Zijn laatsten cent te spillen aan ’t bedrijf

En eerst daarna te schermen met geschrijf.

Waar moest het heen, ging de Regeering vragen; ~Kan, Directeur, het eind den last wel dragen. Bestaat er kans op rentabiliteit? waar’ dat anders dan sentimentaliteit?

Ik snap het wel, U loert op dispensatie. Maar ’t houdt ééns op met de consideratie, ’k Zal op de stang U voortaan rijden gaan,

. Zal ’t goed zijn, moet nog veel door U gedaan. Uw tram mankeert nog steeds twee donzen luiven. Om dronken lui van ’t railbed af te schuiven

En heeft, fi donc! niet eens een c’est ici In de wagons. Allo, die maak je een, twee, drie!

Ge deedt mij tot den Toezichtraad mij wenden.

Die zal een roojen inspecteur je zenden. Hij ’s al op weg, hij brengt nog gauw wat gist Aan een van oudsher trouwen machinist.

En wat betreft die vraag van aandeelhouders. Die komt terecht. Ik zal hun zwakke schouders

Ontlasten, dra, van ’t dooje kapitaal. Da’s niet zoo’n zaak. De trams .... ik naast ze allemaal.

Ik naast ze. Dit wil zeggen da’k z’onteigen Gesloten beurs. Ik kan ze gratis krijgen. Als ik maar werk met hooge politiek.

Vandaar de wet. Die maakt ze zwak en ziek. Die stelt, in naam van veiligheid en vrede. Socialen vreê, ’t publiek volmaakt tevreden

En, ’t leste best, die snijdt één keer te meer Goedkoope riemen van ’s lands onderdanen leer.

Dat alle uitvoerenden een dankbaar gehoor hadden, dat spreekt van zelf en dat de nachtelijke uren op die wijze als gepaste dagafsluiting voorbijvlogen, kan eveneens vastgesteld worden. Tot hoe laat het podium betreden werd blijve echter buiten beschouwing, al zal wellicht een enkeling met wat jaloezie achteraf vernomen hebben, dat vrij laat in den avond het groepje der plakkers op alleraangenaamste wijze werd versterkt met hulptroepen, die tot een slotdansje verleidden. Maar eindelijk toch ging voor allen dien isden September de nachtkaars uit.

Verschillende Mededeelingen.

Jlet tekort der steenkooldistributie. Volgens den Haagschen correspondent van de „Tel.” is uit het verslag der Crisisenquête-commissie over de gestie van het Centraal Verrekenkantoor voor Brandstoffen, gebleken, dat het tekort door deze crisis-instelling geleden op de steenkooldistributie niet minder bedraagt dan f 33.540.000, in hoofdzaak te wijten aan verliezen op voorraden wegens prijsdaling geleden. I

Minister Van IJsselstein, aldus het blad, wilde dezen schadepost voor onze schatkist wegtooveren door koudweg het restitutiefonds, wat de gemeenten en industrieën bijeenbrachten door per ton kolen boven den prijs een vast bedrag als bijdrage in het Duitsche crediet van f 30 millioen te betalen, te onteigenen en voor goeden buit te verklaren. Nadrukkelijk was echter van te voren bepaald dat zij het geld terug zouden krijgen zoodra Duitschland het crediet afloste. |

‘Ook de Crisis-enquête-commissie maakt in haar verslag gewag van de 30 millioen geleende gelden, waarvan uit het restitutiefonds reeds 9 h 10 millioen aan de geldschieters-verbruikers werd terugbetaald. Over de aan het restant van dit fonds, hetwelk uit rond 20 mill. bestaat, te geven bestemming, bestaat nog verschil van meening tusschen het Centraal Verrekenkantoor van Brandstoffen en ■de geldschieters-verbruikers. |

Het komt de Crisis-enquête-commissie vreemd voor, dat omtrent dit punt quaestie kan bestaan, aangezien toch geleende gelden moeten worden terugbetaald. (Hbld.)

Crüis-enquête-comniissie en centraal verrekenkantoor voor hrandstoffen. In het i,Handelshliad” komt een ingezondien stuk WBr luidende als volgt: |

Met groote verbazing heb ik gezien, dat de Enquête-Commissie zich gerechtigd heeft geacht over de gestie van het Centraal Verrekenkantoor voor Brandstoffen (C.V.8.) mededeelingen te doen en critiek te zonder dat eenigerlei vragen, hetzij mondeling of schriftelijk, tot het bestuur van de genoemde instelling zijn gericht. Dit feit verklaart, dat genoemde cornmissie bij hare beschouwingen over het C.V.B. op verschillende cardinale punten luist het tegendeel van de waarheid

Ik zal mij voorloopig- tot een protest »|imen,ma«r na kennis te heben genomen van het rapport in zijn geheel en na raadpleging van den Raad van Beheer van het C.V.8., zal ik uwe redactie verzoeken een uitvoerige weerlegging van de, voor zoover het het C.V,B. betreft, op veie punten geheel onjuiste beweringen van de Crisis-Enquête-Commissie op te nemen.

Daar is«<4ter één punt, dat ik dadelijk zou willen recht-j zetten, omdat daarbij de belangen van duizenden in het land gemoeid zijn en omdat de Raad van Beheer C.V.B. en met name de ondergeteekende, die het initiatirf| heeft genomen tot de oprichting van deze instelling, zichj tegenover deze duizenden verantwoordelijk gevoelt voor hetgeen met het z.g. „Restitutiefonds” geschiedt. De Crisis-EniQuête-Commissie zM> daaromtrent_ het volgende: _

„Van de 30 millioen geleende gelden werd uit bedoeld Restitutiefonds reeds 9 a 10 millioen aan de geldschietersverbruikers terugbetaald. Over de aan het restant van dit fonds, hetwelk rond 20 millioen bedraagt, te geven bestemming, bestaat nog verschil van meening tusschen het Centraal Verrekenkantoor voor Brandstoffen en de geldschieters-verbruikers. Het komt de Crisis-Enquete-Commissie vreemd voor, dat omtrent dit punt quaestie kan bestaari, aangezien toch geleende gelden moeten worden terugbetaald.

Met de conclusie dezer mededeeling' ben ik het gebed eens, maar omtrent de oorzaak van het conflict vestigt zij een geheel verkeerden indruk. Kr bestaat geen verschil van meening tusschen het Bestuur van het C. V. B. en de geldschietérs-verbruikers, maar wel tusschen de Regeermg en het Bestuur van het C. V. B. De Raad van Beheer (met uitzondering van de (Jaarin zitting hebbende Regeeririgsambtenaren) is eenparig van oordeel, dat zoowel op rechtsals op billijkheidsgronden het Restitutiefonds, waarin n.b.