is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 39, 1921, no 41, 12-10-1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we eerst nog even mededeelen, dat de grootverbruikers f 9,25 per eenheid meer betaalden, de klein-industrieelen echter maar / 3,75 per eenheid meer, met dit verschil, dat de grootverbruikers, indien alles goedging, konden rekenen op terugbetaling, terwijl de kleinverbruikers het meerdere vM / 3,75 h fonds perdu stortten. Men behoeft hierin geen onrechtvaardigheid te zien, want tegenover het beding der grootverbruikers, dat het meerdere zou worden terugbetaald stond hun risico, dat er niets van de credieten zou -terecht komen en het veel hooger bedrag, dat zij voor hun rekening namen. De kleinverbruikers droegen veel ininder bij, wel is waar a fonds perdu, maar dat Was juist voorwaardq voor de verlaging hunner bijdrage, vergeleken bij die der grootverbruikers. Voorts dienen we er aan te herinneren, alvorens tot de vorming van het Restitutiefonds zelf te komen, dat het bestuur van het Centraal Verrekenkantoor voor Brandstoffen het crediet aan Duitschland had verleend in den vorm van aankoop van Schatzscheine, waarhij het een zeker agio wist te bedingen, wat een voordeel van pl.m. 1.700.000 gulden opleverde..

Wat kwam nu in het Restitutiefonds? In de eerste plaats de f 9,25 per eenheid, die de grootverbruikers te veel hadden betaald, in de tweede plaats het voordeel van het agio op de Schatzscheine, in de derde plaats de f 3,75 per eenheid, die de kleinverbruikers te veel hebben betaald. Natuurlijk is het Restitutiefonds pas langzamerhand, bij het vervallen der Scheine, gevuld geworden. Maar ten slotte waren er dus, toen de zaken zich gunstig afwikkelden, in gestort zooveel X f 9,25 als de grootverbruikers per eenheid hadden te veel betaald, het agio, en zooveel X f 3,7 5 als de kleinverbruikers hadden te veel betaald. Do regeering nu stelt zich op het standpunt, dat de grootverbruikers de eenigen van wie in de verkoopsvoorwaarden vaststaat, dat zij recht hebben op terugbetaling niet meer behoeven terug te krijgen dan zij hebhen geleend. Met andere woorden, dat zij precies zooveel maal f 9,25 zulleii terugontvangen als zij teveel heben betaald. Het Restitutiefonds was een fonds, dat gevormd is, om daaruit het geleende, maar meer niet, aan de groot-verbruikers te doen terugbetalen. Op het agio en op de a fonds perdu gestorte f 3,75 per eenheid van de kleinverbruikers hebben de grootverbruikersgeldschieters, meent de regeering, geen recht. Het bestuur van het C.entraal Verrekenkantoor schijnt echter van den beginne aan" al wat in het Restitutiefonds kwam, beschouwd te hebben als het rechtmatig eigendom van de geldschietersgrootverbruikers. Het moet zich tegen dezen in dien zin dan ook meermalen hebhen uitgelaten, zoodat de vragen kunnen rijzen of het zich aan die zienswijze gebonden heeft en gerechtigd was zich daaraan te binden. De Staat stelt zich echter op het standpunt, dat het agio noch de a fonds perdu gestorte gelden der kleinverbruikers in het Restitutiefonds thuis hooren. Wanneer de grootverbruikers-geldschieters terugkrijgen hetgeen zij hebben geleend, dan blij'Ven de andere gelden over om het groote verlies van de Rijkskolendistributie te dekken. De regeering is van meening, dat zij dit zeer gezonde juridische standpunt kan handhaven. Er is geen sprake van, dat zij pjan heeft een deel van aan anderen toekomende gelden ter dekking van het verlies aan te wenden, maar zij kan ook niet toestaan, dat anderen meer ontvangen dan waarop zij recht hebben.

Wij hebben, toen wij deze quaestie ter bevoegder plaatse bespraken, aanstonds de tegenwerping gemaakt, dat het agio op de Schatzscheine bedongen is door de goéde koopmanschap van degenen, die de vertrouwensmannen waren van de grootverbruikers-geldschieters, zoodat er dus wel iets voor te zeggen is, dat dit voordeel door de betrokkenen genoten wordt. Inderdaad gaf men ons toe, dat dit punt twijfelachtig was. Maar als een paal boven water staat, dat er geen enkele aanspraak door derden te bedenken Is oip de gelden, a fonds perdu ontvangen van de kleinverbruikers. Aanvankelijk was het ook de vraag, of de grootverbruikers wel recht hadden op de rente van de voorgeschoten gelden. Artikel 6, tweede lid, van de statuten van het C. V. B. luidt;

„Bij het opmaken van de balans en winst- eri verliesrekening moet gereserveerd worden een zoodanig bedrag als, in verband met het doel der vennootschap noodig is om aan verbruikers die rekening houdende met de inkoopsprijzen volgens overeenkomst voor-

loopig een te hoogen prijs blijken te hebben betaald, het teveel betaalde te restitueeren.”

Hier wordt dus slechts van „het teveel betaalde” gesproken, van rente daarvan niet. In de verkoopvoorwaarden komt voorts de volgende bepalingen voor:

~De genoten prijs is een voorloopige. Zoodra en voorzoover naar het oordeel v'an den Raad van Beheer mocht vaststaan, dat het totaal der verkoopbedragen hooger is dan in verband met het doel der vennocrtschap (art. 2) noodzakelijk, zal het teveel berekende worden uitgekeerd”.

Ook hier geen sprake van rente. Maar de regeering heeft zich naderhand ermee kunnen vereenigen, dat de grootverbruikers ook de rente van het geleende uit het Restitutiefonds zullen |

~ Be bepalingen, die wij hier uit de statuten en de verkoopvoorwaarden hebben overgeschreven, geven ook aan op welke wijze men zich de financiering der credieten had eedacht De verbruikers betaalden, bij wijze van een voorloopigen prijs teveel. Het teveel berekende zou worden teruggestort, indien de Raad van Beheer het noodig oordeelde. Deze reserve, de beslissing van den Raad van Beheer, was noodig, in verband met de mogelijkheid, dat er vp de credieten niets jterecht kwam. Zou dat het geval zip geweest, dan zouden de genoten prijzen met meet voorloopig maar definitief kunnen zijn verklaard. Deze bepalingen laten verder ook geen twijfel over, of de verbruikers-geldschieters mogen niet méér dan zij hebben geleend, narnehjk „het teveel betaalde”, uit het Restitutiefonds terugontvan-

'" Alles is echter goed gegaan. De geleende ge.den zyn weergekeerd, maar er is een volkomen gezond geschil gerezen over de vraag, die wij hierboven hebben behande d Het bliikt uit de bovenstaande uiteenzetting duidelijk, clat er een eenvoudig verschil van standpunt is, waaromtrent echter zeer wel overeenstemming moet zijii te krijgen, uat is althans de verwachting. Vast staat, dat zich niet onttrekt aan de aansprakelijkheid voor het verlies der Rijkskolendistributie. Maar zij hoopt het kleiner te kunnen maken. Zij heeft immers ook rekening te houden met de belten der | *

”ln' het Terslag der Crisis-enqußte-commissie over het onderzoek naar het verlies der Rijkskolendistributie komen verschillende grove onjuistheden voor. Wij zullen ech ter afzonderlijk behandelen. Voorloopig zij reeds opgemerkt dat die onjuistheden te wijten zijn het feit, dat de Crisis-enquête-commissie niet gehoord bij haar onderzoek in de eerste plaats hadden behooren te worden betrokken. Hbld.)

J)e Staal en het Bestitutiefonds van f me. ms eerste stuk (Zie vorenstaand l>ericht Red Loc over de aanspraken van den Staat op de gelden v Restitntief,oin(k van het Centraal Verrekenkantoor vocu Brandstoffen (C.V.8.) heeft men ots '.an de van den Raad van Beheer van het C. V. B. m d« & legenheid gesteld het standp'unt v,an dien Rtwd weer t gfven. In de eerste plaats deelde men o|ns mede, dat de feÈeering nu wel slechts 'een deel van de geiden van het fonds vwr zich opeischt, maar begonnen is den geheele te Wiyen. |

beantwoording van deze vraag zuUen tot de kern van het geschil tusschen Staat en Raad van Beheer doordringen. Maar om dat antwoord goed te oegrijwen, dient vooraf te gaan een korte uiteenzetting van het doel dat men zich stelde bij de opnchting van het C. V. R De Rijkskolendistributie heeft van 1916 af de ko.en, nood g voor ons land, gekocht en toegewezen. Voor de financiering van die kalenvoorraden bestond toen geen afzonderlijke m stelling. Men herinnert zich uit ons' eerste stuk over <lit /onderwerp, dat in 1917 de Duitsche regeering voor de levering 'der beno.odigde voorraden een crediet vroeg van f 21 per ton. De Nederlandsche regering, die, waarschijnlijk om redenen van hooge politiek, niet bereid was het crediet van Staatswege te doen verstrekken, vroeg destijds dr. F. G. Waller, te Delft, of hij kans zon zien het crediet door particulieren te doen opbrengen. Er werd toen em commissie gevormd, uit wier overwegingen voortvloeide d|