is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 39, 1921, no 43, 26-10-1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slaff te leggen met het oog op de groote zekerheid, die het spoorwegbedrijf eischt, voor het oogenblik drongen niet zullen kunnen worden verkregen. Dit verschil in opvatting tusschen de Hoogspannings- en de Spoorweg*- commissie is voor beider standpunt karakteristiek. Dooï de Hoogspannings-commissie is met het oog op een aoo gunstig mogelijke distributie, de hoogste spanning aarigehouden wier toepassing ook door de spoorweg-commissie vooT ons land nog als mogelijk wordt erkend; de missie heeft daarentegen onder opofferirig van die distributievoordeelen die spanning gekozen, die uit een tractie-oogpunt de grootst mogelijke zekerheid biedt. Intusschen is dit verschil in opvatting der beide commissies (het eenige belangrijke verschilpunt, dat wij overigens hebben aangetroffen) niet van groot belang. Eensdeels kan het verschil in dc spanningen door het gebruik van wat meer koper in dti toevoerlijnen der spoorwegen worden gecompenseerd, TOoaX bovendien heeft de Hoogspannings-commissie, kanende de voordeelen, die aan het gebruik van een spannmg vaO 1500 Volt vanuit een zuiver tractiestandpunt zijn verbondßOj van den aanvang af hare berekeningen ook voor de lagere spanning uitgevoerd. De gevolgtrekkingen waartoe de Hoogspannings-commissie is gekomen en die wij hierboven in het kort bespraken, gelden dan ook zonder meer zoowel voor 2400 als voor 1500 Volt gelijkstroom.

in het rapport der Spoorweg-commissie wordt vervolgens de vergelijking tusschen het wissel- en het gelijkstroomstelsel voortgezet met een onderzoek naar de wijze van inrichting der centrales en onderstations en van de bovenleiding. Hier komt de commissie tot de slotsom, dat alhoewel het energieverlies bij de gelijkstroom-onderstations grooter is, dan bij de wisselstroom-onderstations, juist wat dé inrichting van eerstgenoemde onderstations betreft, in d* eerstvolgende jaren belangrijke technische verbeteringen wSI mogen worden verwacht, die tot minder energieverlies en ver-i imindering van exploitatiekosten van 'deze stations zullen leiden. Ook het verschil in aantal der onderstations, die voot beide systemen noodig zullen zijn is veel minder grootj dan men zou zou verwachten en wel omdat door den be-i trekkelijk geringen afstand tusschen de knooppimten vW |het spoorwegnet de hooge spanning van het wisselstrocUlr’ [stelsel (15.000 Volt) toch niet voldoende tot haar recht km: (komeii.

En hoe denkt nu deze commissie over de samenkoppeling van de landselectriciteits voorziening met die der spoorwegen? Hare conclusies ten dezen opzichte heeft zij reeds in een Nota van 21 December 1920 neerg|elegd. In deze nota zegt de commissie dat het „zelfs onafhankelijk van het voor de electrificatie der spoorwegen te kiezm stroomstelsel zoowel in het belang van de landselectriciteitsvoorziening als in dat van de spoorwegen is, dat de ppwekking en distributie van de voor beiden benoodigde energie niet behulp van gemeenschappelijke productie- en distributiemiddelen geschiedt”, die zij daartoe bij één publiekrechtelijk lichaam in beheer wenscht. In haar rapport licht de commissie deze conclusie nogmaals uitvoerig toe, waarbij zij er opnieuw de aandacht op vestigt, dat noch wat de bedrijfszekerheid van de stroomlevering aan de spoorwegen, noch wat de terugwerking van het ruwe spoorwegbedrijf op het algemeen net betreft, ernstige moeilijkheden zijn te vreezen. De commissie heeft deze beide pimten op hare talrijke studiereizen uitvoerig nagegaan en deelt hieromtrent in haar met practische bedrijfsresultaten zoo rijk gedocumenteerd rapport zeer interessante bijzonderheden mede. Ten slotte merkt de commissie terecht op, dat tegenover het nadeel, dat bij samenkoppeling met de landselectriciteitsvoorziening, de spoorwagen (wat de stroomlevering betreft) geen „baas in eigen bedrijf” meer zullen zijn, een belangrijk financieel voordeel dient te staan. Dit voordeel, dat zich uiten moet in een stroomprijs die geringer is dan bij eigen opwekking mogelijk zou zijn, kan naar het oordeel der commissie slechts dan volledig worden verkregen, wanneer de landselectriciteitsvoorziening onder beheer komt te staan van één publiek-rechtelijk lichaam of van een Naaml. Vennootschap, waarin de Staat voldoende medezeggenschap heeft. (

Véór ons liggen dus twee elkaar aanvullende rapporten

die, hoewel gesproten uit iwee technisch geheel afzonderlijke kringen, tot het eensluidende resultaat zijn gekomen, dat de electrificatie der spoorwegen, met behulp van het gelijkstroomstelsel, niet afzonderlijk, maar gecombineerd met de algemeene electriciteitsvoorziening dient te geschieden. Wij staan hier thans voor een buitengewoon belangrijk vraagstuk van technische bedrijfsorganisatie, dat opgelost moet worden eer er van eenige uitvoering sprake kan zijn.

Men onderschatte de moeilijkheden niet. Nu het ontwerp-electriciteitswet van de baan is en er dus geen pu-Miekrechtelijk lichaam bestaat, waar de draden der electriciteitsvoorziening samenkomen, is het juist op het gebied van spoorwegelectrificatie, dat zich de behoefte aan een algemeene regeling, die er (zooals de in de Tweede Kamer aangenomen motie-Van Beresteyn ook erkent) op den dutir toch moet komen, zich het sterkst doet -gevoelen. Wel is reeds een stap in de goede richting gedaan en werden bij de nieuwe spoorwegovereenkomst de verschillende maatschappijen praktisch geheel onder staatsbeheer gesteld, maar zoo deze maatregel het maken van electrificatie-plannen al vereenvoudigt, zij biedt geen oplossing voor de vraag op welke wijze het verband tusschen de electrificatie de spoorwegen. Toch dringt deze vraag omi antwoord. Reeds spreekt de Spoorweg-commissie in haar rappwrt van de moeilijkheid om, bij gemis aan één centraal lichaain, met tal van centrales, die bij verschillende gemeenten of provinciën in beheer zijn, tot overeenstemmmg te komen en... van de wenschelijkheid, om bij den bouw van eigen spoorwegcentrales en spoorwegvoedinglijnen deze zoodanig in te richten, dat zij later van een eventueele landselectriateitsvoorziening deel zouden kunnen uitmaken! De electrificatie van de lijn Amsterdam—Rotterdam staat voor de deur; de rapporteerende deskundigen zoowel van de zijde der spoorwegen als van de zijde der electriciteitsleveranciers dringen op samenwerking aan en toch... indien niet spoedig een uitweg wordt gevonden, ziet het er naar uit, dö.t men de spoorwegen, ten nadeele van het algemeen, tot het inrichten van eigen productie- en distributiemiddelen zal moeten laten overgaan. Zoover is het echter thans nog niet. Bij de installatie der nieuwe Staatscommissie, wa,arin geen spoorwegautoriteiten zitting hebben, heeft de Minister in het bijzonder op de noodzakelijkheid eener spoedige behandeling van het vraagstuk der spoorwegelectrificatie de aandacht gevestigd. Deze commissie ziet zich dus bij den aanvang harer werkzaamheden M aanstonds voor de niet geringe moeilijkheid geplaatst, en het verband te leggen tusschen verschillende electriciteitsbedrijven met hun zoo varieerende gemoedsgesteldheid eenerzijds en den zoo uiterst belangrijken dienst der spoorwegen anderzijds. Intusschen staat de wagen der spoorwegelectrificatie weer stop. Wij wachten met belangstelling af, op welke wijze hij door de bemoeienissen der Staatscommissie weer aan het rollen zal worden gebracht. (Hbld.)

Plan voor een electrisch tramnet op de Veluwe. Het voorloopig comité voor het voorbereiden van een locaalspoorwegverbinding van Deventer met de Veluwe, gevormd door de heeren J. L. J. B. Baron Sweerts de iLandas, burgemeester van Epe, Copperus Buma te Elspeet en J. F. Wegener te Twello, heeft voor zijn oorspronkelijk plan: het aanleggen van een loc,aalspoorweg van Deventer over Twello, Terwolde, Nijbroek, Oene en Epe naar Nunspeet en daar aansluiteiid op de stoomtramlijn naar Elburg, geen voldoenden stelun verkregen van den Minister vain'Waterstaat. De Raad van Toezicht der Nederlandsche Spoorwegen was van ning, dat de exploitatie van zulk een spoorlijn niet mogelijk zou zijn zonder de medewerking der groote spoorwegmaatschappijen en deze hebben zich tot medewerking niet bereid verklaard. De Minister heeft echter de aandacht van het comité gevestigd op het overwegen van de mogeüjkh'ad tot het aanleggen van een tramlijn met electrische tractie. Dit heeft er toe geleid, dat door dit voorloopig comit(é in samenwerking met jhr. L. F. Teixeira de Mattos wethouder van Apeldoorn, die ook zitting heeft in het comité y,oor dein aanleg vian 'een electrische tramverbinding van Apeldoorn met Arnhem met een zijtak van Hoenderloe naar Lunteren, een groot plan is gedacht, vóór den oorlog van een