is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 40, 1922, no 47, 22-11-1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Rijkstoezicht deze uit paardentrams voortgekomen zeer eenvoudige trambedrijven te zwaar zou vallen. In het bijzonder zouden de velerlei technische eischen van het Tramwegreglement, die nu eenmaal voor tramwegen van hooger orde zijn gedacht, moeilijkheid kunnen geven. Voor de veiligheid is onderwerping aan die eischen ook niet noodig, daar de zorg voor dit belang in deze eenvoudige gevallen aan provinciaal of Biaatselijk gezM kan worden overgelatem

yoor de —Sloten was intusschen de oplossing van deze moeilijkheid bij voorbaat reeds gegeven door artikel 8 der Locaalspoor- en Tramweg wet. Daar op deze lijn geen ander vervoer plaats heeft dan personenvervoer binnen de gemeente Amsterdam, onttrekt het eerste lid van dat artikel haar aan toepasselijkheid van de spoorwegwetgeying. j

Met de plaatselijke, door dit eerste lid'aan'ciie wetgeving onttrokken spoorwegen kunnen volgens het tweede lid door de Kroon worden gelijkgesteld spoorwegen of gedeelten daarvan, waarop in hoofdzaak geen ander dan personenvervoer binnen ééne gemeente plaats heeft. Hierbij is voornamelijk gedacht aan plaatselijke spoorwegen, die daarnevens ook eenig goederenvervoer bedienen, of waarvan een ~uitlooper” de gemeentegrens overschrijdt. Deze bijkomende omstandigheden brengen geen wijziging in het eigenlijk karakter van zulke spoorwegen, daar zij ondanks die bijkomstigheden geen genoegzame beteekenis voor het doorgaand verkeer hebben om voor toepasselijkheid van de spoorwegwetgeving in aanmerking te komen. Dit rechtvaardigde het mogelijk maken van gelijkstelling met zuiver iDlaatseliike spoorwegen. [

De vraag was nu,” of het iijntp uromngen—-raterswoiae—Eelde voor deze gelijkstelling in aanmerking zou kunnen komen. Ofschoon daarbij van doorgaand verkeer in den gewonen zin nauwelijks gesproken kan worden, zou toepassing van artikel 8 (2) op deze verbinding toch ietwat gewrongen zijn, daar zij in drie gemeenten en in twee provinciën ligt, en dus in letterlijken zin niet voldoet aan den eisch, dat het karaktei; in hoofdzaak plaatselijk zij. Daar bovendien nu en dan soortgelijke gevallen zich zouden kunnen voordoen, acht de ondergeteekende het wenschelijk het kenmerk voor gelijkstelling eenigszins te verruimen. Worden aan het tweede lid van artikel 8, dat gelijkstelling met spoorwegen voor plaatselijk personenvervoer mogelijk maakt voor lijnen „waarop in hoofdzaak geen ander dan zoodanig vervoer plaats heeft”, toegevoegd de woorden: „of welke uit anderen hoofde niet van aanmerkelijke beteekenis zijn voor het doorgaand verkeer”, dan erlangt de Kroon de bevoegdheid om kleine ondernemingen, die wegens den aard van haar verkeer beneden het peil der aan Rijkswetgeving onderworpen spoorwegen blijven, te brengen in een bij haar karakter passenden rechtstoestand. Hiertoe strekt het eenig artikel. De Minister van Waterstaat,

A. A. H. W. KÖNIG.

De Waterstaatsbegrootiiig 1933.

In het vorig nummer publiceerden wij dat gedeelte uit het voorloopig verslag betreffende de waterstaatsbegrooting 1923, hetwelk betrekking heeft op tramwegen. Zooals men gezien zal hebben werd hierin geen melding gemaakt van de post betreffende rentelooze voorschotten en subsidies aan de tramwegen. Zooals uit de desbetreffende begroeting blijkt is deze post teruggebracht van / 2.500.000,—• op / 2.000.000,—. Waar in de memorie van toelichting hieromtrent niets naders wordt vermeld, moet aangenomen worden, dat de inkrimping van deze post verband houdt met den sinds het vorige jaar gedaalden prijs voor de brandstoffen.

Onderzoek naar en rapport over het Staatstoezicht op de Spoorwegen.

V. (Slot.) Overzicht van het Rijkstoezleht op <le spoornegdiensteii zooals dit voor het inwerkingtreden der overeenkomsten 1920 SS/HS krachtens wet en concessie werd uitgeoefend.

Het Rijkstoezicht is geregeld in de wet van 9 April 1875 {Staatsblad n°. 67) (Hoofdstuk II) en het Koninklijk Besluit van II Mei 1911 {Staatsblad n°. 125), zooals dit is gewijzigd

bij Koninklijk Besluit van 5 Maart 1921, [Staatsblad Het omvat:

a. De naleving van de wetten tof regeling van den dienst en het gebruik der spoorwegen en van de krachtens die wetten vastgestelde algemeene maatregelen van bestuur, dienstreglementen, tarieven en goedgekeurde of voorgeschreven regelingen.

o. JJe naleving van de voorwaarden, waarop de vergunningen tot uitoefening van den dienst zijn verleend. c. De uitoefening van den dienst zelve. Het uit zich •

F a. preventief door opneming; goedkeuring; vaststelling; het verleenen en intrekken van ontheffingen met de daaraan verbonden voorwaarden, enz.

Zie b.v. art. 5,7, 26 en 28 der Wet; ,\.R.D. en Tramwegreglement passim. b. repressief door aandrang tot wijziging van misstanden of tegemoetkoming aan reclame’s; bevelen tot voorziening; bevelen tot staking; bevelen tot buiten gebruikstelling materieel, bevelen tot verwijdering van ongeschikt personeel; het verbaliseeren wegens niet-naleving van wettelijke voorschriften; de zorg dat aan de opgemaakte processen-verbaal gevolg wordt gegeven, enz.

Zie b.v. art. 13, 15, 16 en 22 der Wet. A.R.D. Art. 72 der Wet.

Het kan gesplitst worden in: A. Toezicht op de spoorwegen, waarop de Wet van 9 April 1875 [Staatsblad n°. 67) geheel of nagenoeg geheel van toepassing is. (Hoofd- en Locaalspoorwegen.)

B. Toezicht op de spoorwegen, waarop slechts enkele artikelen van de Wet van 1875 van toepassing zijn. (Tramwegen.) Het toezicht A. wordt uitgeoefend;

I°. op de spoorwegen bij S.S./H.S. in exploitatie krachtens de overeenkomsten van 1890 t.w. de spoorwegen genoemd in artikel i dier overeenkomsten of daaronder gebraclit in verband met het bepaalde in artikel 2, 6 en 7,

2°. op de spoorwegen bij S.S./H.S. in exploitatie krachtens |exploitatiecontracten met Maatschappijen, welke de lijnen ihebben aangeltgi en die lijnen in eilfendom hebben. |

a. waarbij het beheer Jier Maatschappijen onder den invloed staat van S.S./H.S]

t » Noord-Brabantsch-Duitsche Spoorweg, Ned. Centraalspoorweg, Zuid-Holl.-Electrische SipoorwM, HaarlemmermeeiliineD.)

b. waarbij die Maatschappijen een onafhankelijk bestuur hebben.

(Noord-Friesche Locaalspoor weg; Groningsche Locaalspoorweg; Noordooster Locaalspoorweg; Stadskanaal—Ter Apel; Almelo—grens; Zutphen—Winterswijk; Dinxperlo—-Varsseveld; Deventer—Ommen; N eede—H ellen doorn.)

3°. op spoorwegen niet bij S.S./H.S. in exploitatie. (Venlo—grenzen in de richting van Kaldenkirchen en in de richting van Straelen; Winterswijk—grenzen in de richting van Borken en in de richting van Bocholt; Coevorden—grens; Nieuweschans—grens; Maastricht—grens in de richting van Lanaeken, Terneuzen—St. Nicolaas in de richting van Mechelen; Terneuzen—Selzaete in de richting van Gent.

Het toezicht B. wordt uitgeoefend op al de tramwegen als bedoeld bij artikel lè der Locaalspoor- en Tramwegwet, onverschillig of zij worden geëxploiteerd door S.S./H.S. dan wel door andere Maatschappijen.

Hoofd- en Locaalspoorwegen.

I. Technisch toezicht.

I°. Aanleg van nieuwe lijnen. Opneming en goedkeuring van de tracé’s, zoowel die welke door den Staat en S.S./H.S. worden ontworpen als die voor welke door derden concessie wordt aangevraagd.

Uitwerken van de plannen voor zoover de spoorwegen door den Staat worden aangelegd, overigens goedkeuring der uitgewerkte plannen voorbereiding van de totstandkoming, kostenverdeeling en bijdragen.

Bij den aanleg door den Staat de uitvoering van de werken; overigens toezicht op de uitvoering; bij aanleg voor rekening van den Staat bovendien toezicht op de afrekening. Exploitatie-overeenkomsten.

Opneming krachtens artikel 7 van de Spoorwegwet. 2°. Aanleg van werken van wijziging en uitbreiding en van nieuwe werken op de bestaande spoorwegen.

Bijzondere werken, waarmede andere dan spoorwegbelangen gemoeid zijn en die geheel of gedeeltelijk voor rekening van den staat worden uitgevoerd