is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 41, 1923, no 35, 29-08-1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le. Het onderhoud van den weg moet op de in dit verslag reeds besproken wijze zoodanig ge.schieden, dat verdere achteruitgang van het spoor worde voorkomen en het uiterlijk aanzien aan billijke eischen beantwoordt. Waar ernstige gebroken bestaan, moeten deze worden verbeterd.

2e. In de treinen behoort voor de reizigers een voldoend aantal zitplaatsen beschikbaar te zijn, zoodat dezen niet verplicht zijn groote afstanden staande af te leggen. Deze eisch geldt ook voor dagen en bij treinen, waarbij een druk vervoer geregeld voorkomt en dus te voorzien is.

3e. De verlichting en het schoonhouden der rijtuigen beboeren te worden verbeterd. Ten aanzien van een deel der rijtuigen geldt hetzelfde voor het inwendig onderhoud. 4e. De perrons behooren beter te worden verlicht. De toegang tot de treinen moet zoo min mogelijk door op de overwegen staande wagens en op de perrons liggende goederen belemmerd worden.

se. De toestand en het onderhoud der wachtgelegenheden moeten worden verbeterd. De contracten met de agenten behooren te worden gehandhaafd in dien zin, dat dezen zich houden aan de verplichting de wachtkamer voor het publiek open te stellen van een half uur vóór het vertrekuur van den eersten trein, totdat de laatste trein, wellicht met nitzondering van enkele late avondtreinen gepasseerd is; de w’achtkamer moet gedurende dien tijd behoorlijk worden verwarmd en verlicht en daarin moeten worden toegelaten alle personen, die voornemens zijn met de tram te vertrekken of er door aangevoerd w'orden, terwijl op de bezoekers geenerlei pressie uitgeoefend mag worden ververschingen of dranken van den agent te koopen.

6e. De dienstregeling der treinen behoort aan redelijkè eischen te voldoen; voor zoover de omvang van het vervoer dit rechtvaardigt, behoort scheiding van het personen- en goederenvervoer te worden toegepast.

7e. De dienstregeling moet minstens één week voor de invoering algemeen bekend gemaakt worden. De gedrukte dienstregelingen behooren steeds op de stations en bij de agenten voor het publiek verkrijgbaar te zijn.

Par. 8. Verbetering van den bestaanden tramweg en verhooging der treinsnelheid.

Tot recht begrip van het onderstaande moge er de aandacht O]) gevestigd worden dat aanvankelijk, zooals in het geschiedkundig overzicht is in het licht gesteld, de eerste lijn der R. T. M., loopende van Feijenoord over Barendrecht, Heinenoord, Krooswijk en Numansdorp naar Zuid-Beijerland, slechts een beperkt doel had, namelijk om een deel der Hoeksche Waard in verbeterde verbinding met Rotterdam te brengen. De aanleg geschiedde betrekkelijk eenvoudig, ook omdat de snelheid niet meer dan 20 KM. per uur zoude bedragen, zooals in de concessie werd vastgelegd.

Door de uitbreiding, welke het net achtereenvolgens onderging, ontstond de behoefte aan grooter nelheid. Bij den aanleg dier uitbreidingen w'erd op de mogelijkheid van grooter snelheid in de toekomst gerekend, terwijl op het oude net de noodige verbeteringen werden aangebracht om grooter snelheid niogelijk te maken.

Bij beschikking van den Minister van Waterstaat van 29 Juni 1907, La. L, Afdeeling Spoorwegen, werd voor de lijnen op de eilanden in Zuid-Holland (met inbegrip van Flakkee) het Vereenvoudigd Lokaalspoorweg Reglement van 1902 van toepassing verklaard, waarmede toegestaan werd de snelheid tot 35 KM. per uur op te voeren.

Bij de soortgelijke beschikking van 25 Januari 1910, La. B, Afdeeling Spoorwegen, werd die snelheid van 35 KM. per uur eveneens toegelaten op den spoorweg van Burgh over Brouwershaven naar Steenbergen.

Hiermede was men zoover gegaan als de wettelijke bepalingen toelieten.

Sedert werd door de invoering op 1 Juni 1920 van de Lokaalspoor- en Tramwegwet de mogelijkheid geopend de snelheid voor tramwegen op te voeren tot 45 KM. per uur.

Volgens artikel 1 van genoemde wet bepaalt de Minister van Waterstaat de toe te laten snelheid voor elk geval en eiken tramweg afzonderlijk. In hoofdzaak zal bij de beoordeeling der vraag omtrent de toe te laten snelheid de technische toestand der baan den doorslag geven en zullen de plaatselijke toestanden, ligging ten opzichte van kruisende spoor- en gewone wegen, beweegbare bruggen, bebouwingen enz. aanleiding kunnen

geven tot snelheidsbeperkingen, op te leggen door den Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten.

Ten einde het volle profijt van de meer technische volmaking van den weg te kunnen trekken en de toegelaten snelheid ook over de volle lengte te kunnen benutten, zal derhalve bij een verbetering van den weg met het doel daarop sneller te kunnen rijden, eveneens gelet moeten worden op wijziging van die weggedeelten, waar het tracé voorheen tot snelheidsbeperking aanleiding gaf.

Het liggen van een tramweg op een bestaanden weg voor gewoon verkeer of OJ3 den berm daarvan behoeft in het algemeen geen aanleiding te geven tot het aanbrengen van tracéwijzigingen van ingrijpenden aard.

Eensdeels omdat het verschil tusschen de thans ook op dergelijke tramwegbaanvakken reeds toegelaten snelheid van 35 KM. en die van 45 KM. niet zoo bijzonder groot is, anderdeels omdat do ervaring reeds leerde dat zelfs grooter snelheid dan 45 KM. per uur op spoorwegen zonder afscheiding liggende op of naast druk bereden gewone wegen geen meerdere ongelukken ten gevolge heeft dan op andere tramwegen, welke met minder snelheid bereden worden. Integendeel vielen zelfs, W'aarschijnlijk juist door die grootere snelheid, bronnen van ongelukken weg, welke bij andere met geringere snelheid geëxploiteerde tramlijnen, voorkomen.

Ook door het in de laatste jaren sterk ontwikkelde snelverkeer op de gewone wegén zijn de inzichten ter zake belangrijk gewijzigd hetgeen blijken kan uit de wijziging bij wet van 6 Mei 1923 (Staatsblad no. 270) van artikel 33 der Spoorwegwet van 1875 (Staatsblad no. 67 c. a. de twee Koninklijke besluiten van 9 Augustus 1922, Staatsbladen no. 490 en 491), waarvan het gevolg zal zijn dat do bewaking en afsluiting van meerdere spoorwegovergangen zal vervallen.

Het publiek wordt geacht juist door het drukke autoverkeer geleerd te hebben beter op te letten en meer voor zich zelf te zorgen.

Het snelverkeer in de richting van den gewonen weg heeft het publiek leeren begrijpen, dat het tijdig moet zorgen er niet mede in aanraking te komen.

In dit licht beschouwd heeft onze Commissie dan ook gemeend dat op die tramweggedeelten, waar nu door den Raad van Toezicht geen snelheidsbeperking is voorgeschreven, opvoering van de snelheid van 35 KM. tot 45 KM, per uur na het aanbrengen van de noodige technische verbeteringen toe te laten is en dat daar, waar wel dergelijke beperkingen zijn voorgeschreven, een nieuw tracé gekozen zal moeten worden.

Tn dezen gedachtengang is een plan tot wijziging van het net der R. T. M. ontworpen, waardoor belangrijke versnelling van het verkeer verkregen kan worden.

De bovenbedoelde technische verbetering van den weg zal in hoofdzaak bestaan uit een verzwaring van den bovenbouw.

Hiertoe is het thans aanwezige railtype van 23 KG. per Meter te vervangen door een van 30 KG. en zal de afstand der dwarsliggers verminderd worden tot 85 cM., hetgeen noodzakelijk wordt geacht wegens de gesteldheid van de aardebaan, voor een groot gedeelte bestaande uit klei, veelal op een veenachtigen bodem gelegen, gepaard gaande met een meestal gering hoogteverschil tusschen ko))rail en den w'aterstand in de polderslooten vooral in den herfst.

Voorts wordt het noodig geacht de bogen, voor zoover deze een geringeren straal hebben dan 500 M. voor de baanvakken Rotterdam—Numansdorp-haven, de groep Voorne en Putten en -Anna Jacoba—Steenbergen; van 400 M. voor het baanvak Zierikzee—Zijpe en van 300 M. voor het baanvak Burgh—Zierikzee, behoudens eenige uitzonderingen tot zoodanigen of grooteren straal te verruimen. De hogen van de lijnen op doeree en Overflakkee kunnen ongewijzigd blijven.

Voor de opvoering der snelheid tot 45 KM. per uur zoude strikt genomen met bogen van kleineren straal genoegen genomen kunnen worden. Aangezien echter onze Commissie van oordeel is, dat in eene verdere toekomst behoefte kan ontstaan aan eene nog grootere snelheid bijv. tot 60 KM. en dat alsdan de lijnen lokaalspoorwegen zullen moeten worden als bedoeld in de hoogergenoemde Lokaalspoor- en Tramwegnet, is het aangewezen reeds dadelijk met het oog op die toekomst op ruimere bogen, ook in verhand met de wellicht noodige onteigening, te rekenen.

In hoofdtrekken zijn dus de verbeteringen, welke zullen zijn aan te brengen, in te deelen in drie stadia, te weten: