is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 43, 1925, no 27, 08-07-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote hoofdas dezer ellips is gelijk aan den /d\ pd straal van het wiel I—|,de kleine as is =-—, als p den \2 / 4r radstand en r den straal van den boog beteekent.

Omgekeerd snijdt de kant B van den uit de wielflens omstreeks de helft van een rotatie-hyper- P boloïde, waarvan de assymptote-kegel een helling 2r ten opzichte van het loopwielvlak heeft.

Bij* benadering kan men voor beide profielkrommen een parabool aannemen.

De hoek cp, dien de wielflens bij haar top A, resp. de afronding aan den railkant B, met de horizontale vormt, wordt dan berekend uit de vergelijking. tg m = V waarin r den straal van den boog, p P den radstand, h de hoogte der flens en d de wielmiddellijn beteekent.

Wanneer p = —, h = 0,015 m en d 0,8 m is 6 tg (p = 3,285 of (p 72", wat nog toelaatbaar is. Snijdt men bij punt B (zie afb. 9) de wielflens horizontaal door, dan verkrijgt men een trapeziumvormig, vlak, zie afb. 10.

Uit dit figuur ziet men, dat de wielflens ook in bogen binnen de groef voldoende plaats heeft, wanneer het profiel volgens den afslijtingsvorm wordt ingericht.

In een tramnet nu komen in den regel velerlei bogen voor.

Volgens de ervaring vormt zich dan de afslijting der wielflens in verband met een gemiddelden straal, circa 20—'M) m.

In alle overige gevallen richt zich de afslijtingsvorm der sijoorstaven naar de v/ielflenzen en wel zoo, dat er een zoo groot niogelijk steunvlak ontstaat, dat in dit geval een lijnvormig beloop heeft. (afb. 9).

Te loopkant van den rail wordt bi| bptïtstraal steeds meer afgerond. :

Dit verschijnsel schept omgekeerd de mogelijkheid, om van de grootte der afronding den boogstraal, resp. de grootte van den knik in het spoor op rechte einden, af te leiden.

Zooals reeds aangegeven, loopt het voorste wielstel in scherpere bogen buitenwaarts, het achterste dringt binnenwaarts op, zoodat ook de contrarail van het bnitenbeen en de looprail van het binnenbeen zijdelingsche afslijting ondergaan. |

Afb. 9. Zij-aanziclit der aanrakingslijnen op den wielband

Doorsneden van den wielband

Aaniakiiigslijnen op de spoorstaaf in opstand.

öp het oppervlak van de spoorstaaf ontstaat meestal een vlakke gleuf (zie afb. 11), waardoor te smalle loopvlakken, vooraan aan den binnenkant en achteraan aan den buitenkant, worden gevormd.

De afslijting der loopvlakken is in de eerste plaats afhankelijk van de hoegrootheid van den druk en van het aanrakingsvlak. Beide zijn, zie boven, uitermate afwisselend.

Hierdoor wordt ook het opvallend verschil verklaard tusschen de gevonden wrijvingscoëfficienten bij remproeven, die onder overigens geheel gelijke onistandiglieden worden genomen. |

In de tweede plaats wordt de afslijting beheerscht door den aard van het materiaal. 1)^

In ’t bijzonder spelen hier een rol: hardheid, taaiheid, koud hardbaarhcid en wijze der niateriaalbehandeling bij den aanniaak. In de derde plaats is de snelheid van den wagen van belang. |

Vermindert, bij toenemende snelheid, ook de duur der inwerking van het wiel op den rail, toch worden, onder den invloed der dynamische krachten, de drukbelastingen zoodanig, dat in de afslijting een volslagen omkeer plaats grijpt.

Terwijl bij geringe snelheid het oppervlak geëffend wordt, zrrllen, bij groote snelheid, aanwezige oneffenheden’ dieper gemaakt en, tengevolge van phaseverschuiving der werkingen, in voorwaartsche richting gedreven worden. |

Neemt men b.v. aan, dat bij langzaam rijden op een glad geslepen rail, door kort glijden van een eeii oneffenheid is ontstaan, dan zal het volgende onder het rijden over het ~dal” een versterkten dnuc op de spoorstaaf uitoefenen.

~*Het'wel zal op dat punt minder glijden dan waar de druk vermindert, n.l. op den rand der oneffenheid ; de verdieping of „kuil” wordt door het glijden Igevlakt. i Het glijden op zich zelf werkt dus het vergrooteo jder holten of kuüen tegen. _

Bij sneller rijden neemt de druk in het dal zoodanig toe, dat het materiaal door pletting sterkere slijtage; ondervindt dan door het glijden over den daarna volgenden ~berg”, resp. den rand van den kuil. Bij grootere snelheid springt het wiel zelfs over

1) Zie Bericht 38 der Werkstoffausschusses von H. Meijer und F. Kehl, Verlag ~Stahleisen ni.b.H. , Düsseldorf.