is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 44, 1926, no 8, 24-02-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oroote eenvoud en bedrijfszekerheid der inrichtingen.

Kr kunnen voldoende hoeveelheden water in hoofddrnkketels van eenvoudige constructie worden opgegaard, door de wanden dezer ketels niet onderworpen zijn aan toevallige warmtesi)anningen en aan die spanningen, welke door het inwalsen van pij]sen kunnen ontstaan

De ketelromp of keteltrommel kan op willekeurige plaats worden aangebracht.

Weigeren der voedinginrichting of te lage waterstand leveren geen gevaar voor dit onderdeel op, aangezien de ketelromp niet gestookt wordt, aangézette ketelsteen vormt zelfs een goede warmtebewaring.

Voor den oververhitter zijn gew-one pijpen voldoende ; de ~stangen” woorden aaneengelascht, zoodat er geen dichtingen noodig zijn.

Het springen van een oververhitterpijp kan hoogstens teweegbrengen, dat er stoom in den vuurhaard geraakt en wellicht het vuur wordt uitgebluscht. In den oververhitter komt alleen stoom voor en vervalt dus het gevaar van ketelsteenvorming.

Door de scheiding van warmte-opname en stoomontwikkeling (de eerste geschiedt in den oververhitter, de laatste in den ketelromp of -trommel) is de bedrijfszekerheid bij 100 atni. stoomspanning èn hooger èn grooter dan bij de tegenwoordige gebruikelijke stoomketels met lagere spanningen mogelijk is.

\"oor het in werking brengen kan voorhanden stoom of stoom uit een hulpketel worden gebezigd. De in aanbouw zijnde locomotief wordt voorzien van zuigerstoomniachines, w'aarin de stoom in drie trappen tot op atmosferischen druk expandeert.

Ér wordt een gewoon vuurrooster aangebracht. Men verwacht van deze locomotief een besparing van 50% kolen en w'ater, tegenover de huidige met 15 atm. werkende sneltreinlocomotieven.

(V er kehrstechnik).

Nieuwe wijze van schoonmaken der Amerikaansche tramwagens.

De electrische tram te Birmingham (Ver. St. v. Am.) wascht de wagens uitwendig af door middel van een douche-inrichting.

Deze werkwijze heeft het voordeel van snelle en afdoende reiniging, ook o]; die plaatsen van den wagen, waar men met de hand moeilijk bij kan komen, zooals gleuven, hoekige holten, enz.

Deze inrichting bestaat nit 4, twee aan twee ter weerszijden van het spoor geplaatste vertikale ijzeren pijpen, wijd 5 cm, die even buiten het vrije-ruimte-profiel staan, en, ongeveer volgens het beloop daarvan, aan het boveneinde over het wagendak heen met een hoek van 45“ omgebogen zijn.

Aan den binnenkant zijn deze pijpen over hun geheele lengte van gaatjes voorzien, ongeveer zooals bij oud-niodel stedelijke sproeiwagens.

Deze gaatjes liggen niet in een vlak, loodrecht op het spoor, maar in twee vlakken, die daarmede een hoek maken en wel, bij het ééne der beide pijpenparen naar rechts en bij het andere naar links gericht.

De sproeipijpen worden aan hun achter- of buitenzijde gesteund door een stel andere pijpen, die daarmede evenwijdig zijn opgesteld. Het waschwater wordt uit de hoofdleiding der

werkplaats aangeveerd en staat dus onder aanzienlijken druk.

Door een driewegskraan kan men naar verkiezing in het ééne of het andere paar pijpen water aanvoeren.

Het spoor is over 30 ni lengte, zooals steeds in schoonmaakloodsen, gebetonneerd en van voldoenden waterafvoer voorzien.

Bij het afwasschen wordt de wagen langzaam onder de douche doorgereden en daarbij het eene pijpenpaar gevoed, waaruit dan het water tegen den voorsten kopwand en daarna, schuin naar achteren toe, tegen dak en zijwanden spuit. Het vuil wordt dus naar achter weggespoeld.

Bij het terugrijden van den wagen komt het andere paar pijpen in werking, zoodat nu ook de andere kopwand afgewasschen wordt.

Zoo noodig kan met den koetswassscher nog eens worden nageborsteld.

Het afwasschen van een vier-assigen wagen vereischt van 5 tot 10 minuten werk en verbruikt daarbij omstreeks 130 tot 180 1 water.

Als bijzonder voordeel van dit donche-wasschen wordt aangegeven, dat ook het wagendak daardoor volkomen schoon wordt, zoodat in den dienst bij regen geen vuile strepen op de ramen en het buitenvlak van den wagen kunnen worden gevormd.

Deze wijze van reinigen wordt om de 4 dagen herhaald ; de vensterruiten worden om den anderen dag schoongemaakt.

(l" e-rkehrstechnik).

Verschillende Mededeelingen

Ijzerhout voor spoorwegdwarsliggcrs Naar aanleiding van een in het ~Algemeen Handelsblad” van 17 November 1925 voorkomend bericht, dat, in verband met de levering van dwarsliggers voor de Staatsspoorwegen in Nederlandsch-Indië, aan de Java-Borneo Houthandel Mij. een ijzerhoutconcessie werd verleend op het eiland Poeloe-Kaoet bij Borneo, deelt ir. H. C. Doorman, oud-officier der genie, in ~De Ingenieur” No. 52 van 26 December 1925, zijn ervaring mede, omtrent het gebruik van deze houtsoort in Indië, bij toepassing als brugliggers en dekplanken voor bruggen en als dakbedekking in den vorm van, door verkregen, plankjes, z.g. sira])pen.

Deze ervaring doet bij hem de vraag rijzen of ijzerhout voor spoorwegliggers wel geschikt materiaal is, daar de vrees bestaat,"dat het indrijven der haaknagels menig dwarsligger zal doen s])lijten en de aantasting van het hout door ijzer oorzaak zal wezen, dat de spoorstaven spoedig los zullen liggen.

Aan het door Doorman uitgedrukt verlangen om mededeeling of reeds proeven met ijzerhouten dwarsliggers genomen zijn en of men wellicht bijzondere middelen heeft toegepast om de door hem genoemde bezwaren ter zijde te stellen, zou ik reeds eerder zijn toegemoet gekomen, het niet, dat ik niet alleen op het geheugen wdlde afgaan en het bijeenbrengen der ter beschikking zijnde gegevens eenigen tijd vorderde.

Hieronder volgt hetgeen ik hierover kan meedeelen ten opzichte van het gebruik van ijzerhout bij de Nederlandsch-Indische vSpoorweg Mij.

Met den aanleg van den spoorweg Samarang—Vorstenlanden—Willem I (spoorwijdte 1,435 m) werd kort na de oprichting der Maatschappij in 1863 aan-