is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 44, 1926, no 30, 28-07-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

intercommunale autobusdiensten, uit welk recht dan tevens voortvloeit de bevoegdheid, om aan die concessies voorwaarden te verbinden, en wij laten te gelijkertijd het recht der gemeentebesturen onverkort. De Regeering zal zich er over moeten uitlaten, hoe zij zich practisch deze zaak denkt. Ik zou allerminst geneigd zijn aan een verkorting van het recht der gemeentebesturen, althans van groote gemeenten, mede te werken, maar de Regeering dient licht te vers]rreiden.

De heer Van der Waerden voegt mij toe ; als het noodig is. Ongetwijfeld, wanneer de noodzakelijkheid werd aangetoond, zou ik daartoe bereid zijn, maar dan wil ik er bij voegen, dat die noodzakelijkheid dan met zoo krachtige argumenten zou moeten worden aangetoond, dat ik bijna durf zeggen, dat ik dat bijna tot de onmogelijkheden reken.

Het is op deze gronden, dat ik, tenzij door de Regeering bijzonder licht wordt gegeven en mijn bezwaren zal opheffen, niet bereid ben mijn stem aan dit wetsontwerp te geven.

De heer Van Braambeek ; ;Mijnheer de Voopitter ! In afwijking van de gevoelens, die de bestudeering van dit ontwerp bij den heer Van Aalten heeft opgewekt, wil ik wel erkennen, met groote vreugde te hebben kennis genomen van het feit, dat door dit ontwerp het autobusverkeer zal worden geregeld. Ik meen, dat iedereen de noodzakelijkheid daarvan zal gevoelen. De anarchie, die ten aanzien van het vervoer op het oogenblik bestaat, kan inderdaad door dit ontwerp voor een groot deel worden uit den weg geruimd. De vrije concurrentie op dit gebied is van dien aard geweest, dat het vervoer daarmede niet wordt gediend, maar dikwijls onvoldoende en onveilig is gebleken.

Het gaat niet alleen hierom, dat wij in de autobus hebben zien optreden een nieuw vervoermiddel, dat in staat is gebleken een gelukkige aanvulling te geven aan de bestaande middelen van vervoer, maar toch ook, dat de daardoor ontstaande veelheid van vervoermiddelen ten gevolge heeft gehad, dat het vervoer slecht is geworden of gebleven.

Wanneer er komt een beter vervoermiddel, dat door concurrentie een bestaand vervoermiddel zou kunnen vervangen en dat beter in de eischen voorziet, die de menschen aan het vervoer stellen, dan zou ik dat een normaal verschijnsel vinden en zou ik nieenen, dat men geen traan behoeft te laten over het verdwijnen van het oude vervoermiddel. Het betere moet het minder goede vervangen. Maar zoo is de positie lang niet steeds. Wij hebben tot nu toe dikwijls gezien, dat een bestaand vervoermiddel, een tram of een autobusdienst beconcurreerd werd door een autobus, die een deel van het vervoer overnam, terwijl dan het bestaande verkeersmiddel geen levensvatbaarheid meer had en ophield te bestaan, maar de concurreerende autobus daarna niet in staat bleek, het geheele vervoer over te nemen.

Zoo hebben b.v. verschillende tramwegondernemingen die in een behoefte voorzien en die zoowel reizigersvervoer als goederenvervoer hebben, groote concurrentie van een autobrrslijn, die wel een deel van het reizigersvervoer van de tram zon kunnen overnenien, maar die, wanneer dan de tram niet meer zou kunnen bestaan, of alleen door sirbsidies op de been gehouden kunnen w'orden, toch niet het goederenvervoer zou kunnen verzorgen, zoodat een gevolg van het verdwijnen van de tram zou zijn, dat er in het geheel geen goederenvervoer meer zou kunnen plaats hebben. Met dit nieuwe verkeersmiddel zouden wij dus

hoe vreemd het ook klinkt niet krijgen een beter dienen van het vervoer, maar integendeel het brengen van een groote hoeveelheid ongerief aan hen, die van een bestaand vervoermiddel moeten gebruik maken. Precies eender kan het gaan met een bestaande autobiisonderneming. Wanneer een dusdanige onderneming, op vroege en late uren met een slap verkeer, op bepaalde tijdstippen met een druk verkeer, naast zich ziet opkomen een nieuwe onderneming in de z.g. spitsuren, waarmede de goed geoutilleerde onderneming haar verdiensten moet maken, dan wordt haar het leven ónmogelijk gemaakt door de afrooming door het minder goed geoutilleerde busje, en krijgt men dezen toestand, dat men wel meer verkeersmiddelen krijgt, maar dat het verkeer op den weg veel slechter wordt.

Wij mogen ons daarom verheugen over het feit, dat, op het voetspoor van wat de conimissie-Patijn aan de hand heeft gedaan, ’s Ministers ambtsvoorganger met dit ontwerp is gekomen, dat strekt niet in de eerste plaats om het vervoer in te perken, maar vooral om deze vervoersqiiaestie te regelen.

Ik verheug mij dus over de indiening van dit w.0., maar wanneer men mij vraagt of ik er mee voldaan ben, wil ik gedeeltelijk onderschrijven wat reeds door den heer Van Aalten is opgemerkt, dat het w.o. mij niet genoeg geeft, en een groot deel van de materie ongeregeld laat; het verkeer met openbare vrachtauto’s. De commissie-Patiju is inderdaad tot de conclusie gekomen, dat het niet gemakkelijk is, voor het goederenverkeer een afdoende regeling te maken, en zij gevoelde ook nog geen dringende behoefte om dit in een regeling te betrekken, maar sedert haar rapport is uitgekonien is het openbare goederenverkeer per auto buitengewoon sterk toegenomen, zoodat de Minister te eeniger tijd voor de vraag zal komen te staan, of ook deze anarchie niet binnen de perken moet worden gebracht. V anneer de Minister zich echter stelt op het standpunt, in de Memorie van Antwoord ontwikkeld, zal hij nooit slagen. Immers hij schrijft :

~()ndergeteekende acht het meer dan twijfelachtig of voor goederenvervoer een oplossing, die kans op ontduiking uitsluit, practisch uitvoerbaar zou zijn.”

Wanneer de IMinister de illusie mocht hebben, ooit een regeling te kimnen maken, die kans op ontdrriking uitsluit, ben ik bang, dat hij in zijn verder leven niet erg gelukkig zal zijn.

Menschen, die ontduiken willen, vinden schier in elke verordening, in elk Koninklijk besluit, in elke wet nog wel een maas, waar zij doorheen kunnen kruipen. Ik vrees, dat de IVlinister wel kennis zal maken ook met ontduikers van deze wet, ook al heeft Zijn Rxcellentie op het laatste oogenblik bij Nota van Wijziging nog een maas dichtgestopt, door het onmogelijk te maken, dat men coöperaties zou stichten, die dan niet aan de wet onderworpen zouden zijn. Wanneer dus de IMinister te eeniger tijd tot de overtuiging komt, dat ook het openbaar goederenvervoer per auto moet worden geregeld, dan zal hij zich niet moeten laten weerhouden door de overweging, dat ook op dit terrein ontduikingen zullen plaats hebben. Het is te hojjen, dat de Minister deze aanvulling spoedig zal aanvatten.

Ik verheug mij dus over de indiening van dit wetsontwerp. De vorm is wel buitengewoon soepel en eenvoudig, en ik kan mij voorstellen, dat deze voor den Minister groote bekoring heeft. Hetgeen in de wet wordt vastgelegd, is van niet zoo heel veel beteekenis. Practisch komt het alleen hieroj) neer, dat een intercommu-