is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 44, 1926, no 33, 18-08-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden toegepast, ook van toepassing zijn bij intrekking maar ook omdat dit uit het algemeen karakter van de vergunning voortvloeit. Ik twijfel.er niet aan, al heeft de Regeering de bevoegdheid, noch den plicht, aan Gedeputeerde vStaten een formulier voor de vergunning voor te schrijven, of die vergunning zal in alle ])rovincies onder de mits van intrekbaarheid worden verleend, en indien het noodig is, dan zal daaroj) nog de aandachc vanGedej'uteerdeStaten gevestigd kunnen worden.

Nn heeft de heer van Braambeek gevraagd, of het niet mogelijk is. Gedeputeerde Staten een aanwijzing te geven omtrent dé wijze van uitvoering van deze wet. Hij zeide, dat het zou kunnen, dat Gedeputeerde Staten de concurrentie al te zeer wilden tegenhouden en bij een aanvraag om vergunning dit punt te zeer op den yoorgrond zonden plaatsen. Zonder ervaring zon ik misschien den heer Scha])er te hulp kunnen roepen, maar ik ben eenigszins huiverig om Gedejmteerdé Staten lesjes te geven. Gedeputeerde Staten zijn een zeer geëerd college in onze staatkundige inrif'hting, en ik geloof, dat er geen college van Gedeputeerde Staten gevonden zal worden, dat niet bereid is met het Rijksbe.stunr samen te werken, maar ik zon toch vreezen, dat, als ik ten aanzien van het autobnsvraagstnk aan wijzingen gaf aangaande de uitvoering van de overigens zeer duidelijke be])alingen dezer wet, ik, uitgesproken of onuitgesproken, ten antwoord zon krijgen : laat dat nu maar eens aan ons over. Ik geloof dus, dat het verstandig zal zijn, in die richting groote voorzichtigheid te betrachten.

De heer Krijger heeft vooral de aandacht geve.stigd oj) de wenschelijkheid van eenheid van toezicht en van kenringstarieven en hij heeft gevraagd, of er bezwaar tegen bestond om de uitkomsten van het ov'erleg tusschen de kenringsdesknndigen aan de Kamer over te leggen. Ik geloof niet, dat er een enkele reden is om het niet over te leggen en wanneer zich niet alsnog een reden bij mij opdringt, dan zal ik gaarne te zijner tijd de Kamer daarmede in kennis .stellen. Wat verder die wenschen betreft, eenheid van toezicht en van kenringstarieven, de Kamer zal begrijpen, met hoeveel vreugde ik van een der leden vernam, dat Overijs.sel het zoo billijk doet. Ik hoop, dat dat een voorbeeld is, want wij moeten niet door hooge kosten hc“t antobnsbedrijf bemoeilijken, daarvoor worden deze be])alingen niet gemaakt. Wij behoeven natnnrlijk geen regeling te maken, die het Rijk. de ])rovincies of de gemeenten veel geld zal kosten, maar aan den anderen kant moeten wij van de keuringskosten geen ])otje maken.

i\laar het systeem is nu opgebouwd. De keuring geschiedt door ])rovinciegewijs aangewezen deskundigen. Dezen hebben reeds een vereeniging gevormd om ook hier over het geheele land tot eenheid te komen.

Daten wij dit boompje laten groeien, dan geloof ik, dat OJ) den duur die eenheid werkelijk zal worden verkregen. Als het niet lukt, heb ik mijn algemeenen maatregel van bestuur en heb ik ten slotte ook de mogelijkheid te overwegen, of door wijziging van de wet niet tot een gezonden toestand kan en moet worden gekomen. Den gezonde toestand moet het worden, daarover zijn wij het allen eens.

De heer Duymaer van Twist heeft gevraagd, of er rekening zal worden gehouden met den toestand der wegen. Dat zal stellig het geval zijn, en ik meen, dat het ook noodig is, maar dit is eigenlijk meer het terrein van de Motor- en Rij wiel wet. Hij heeft verder oj)- merkingen gemaakt over de t)laats van den chauffeur. De algemeene maatregel van bestuur zal daaromtrent leidraad moeten geven.

Haar ik meen, heb ik bij de beantwoording van den heer van Aalten, de heeren Marchant en van der Waerden beantwoord. De heer Schaper heeft gevraagd, of het niet mogelijk is, dat ik nn ook eens mijn aandacht ga wijden aan de vaartuigen. Ik geloof ook, dat op dit gebied de toe.stand niet volmaakt is, en te ziiner tijd zal ik daaraan mijn aandacht wijden. Ik geloof evenwel, dat het verstandig is onze aandacht nn niet af te wenden van het autobnsvraagstnk, en hoop, dat wij er in zullen slagen deze wet tot stand te brengen.

De \ oorzitter : Met het oog op de werkzaamheden van den Minister van W aterstaat, is het mijn voornemen te trachten dit ontwerp van wet heden af te liandelen.

\'erschillende leden hebben mij meegedeeld, dat zij van reipliek wenschen af te zien ; intnssclien is de heer van Aalten daartoe niet bereid. Ik stel voor, den heer van Aalten daarvoor ö minuten te verleenen.

Daartoe wordt besloten.

De heer van Aalten : Mijnheer de \'oorzitter ! Ik wensch te constateeren, dat uit de verklaring van den Minister duidelijk is gebleken, dat de tegenwoordige bevoegdheden van de gemeentebesturen, zooals die ook in de jurisprudentie zijn erkend, ook bij aanneming van dit ontwerj) ongerejrt zullen blijven. Waar dit het geval is, is een van mijn hoofdbezwaren tegen deze regeling vervallen. Ik blij f echter de regeling een minder elegante, een minder juiste achten en vrees, dat in de practijk zal blijken, dat deze regeling, wanneer zij tot stand komt, tot zeer groote bezwaren aaideiding zal geven. Na de verklaring van den Minister echter heb ik geen bezwaar, mijn stem aan het wetsontwerp te geven.

De algenieene beraadslaging wordt gesloten

Artikel I wordt zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over artikel 11, luidende Na artikel 1 worden ingevoegd ;

~Artikel H/s”.

~Gedeputeerde Staten beschikken op aanvragen om vergunning tot het in werking brengen van antobusdiensten in hunne jjrovincie.

Hebben Gedeputeerde Staten de door den aanvrager verstrekte gegevens voldoende bevonden, dan wordt de aanvrage ter provinciale griffie gedurende dertig dagen ter inzage van een ieder nedergelegd, nadat deze in een of meer nieuwsbladen is bekend gemaakt, en aan de belanghebbende gemeentebesturen is medegedeeld.

(ledeputeerde Staten kunnen ondernemers van spoorwegdiensten en van andere o])enbare middelen tot vervoer van personen nitnoodigen om zich te verklaren omtrent het aanvragen van eene vergmming.

Omtrent de te nemen beschikking kan vanwege Gedej)uteerde vStaten overleg worden gej)leegd met een ambtenaar van het toezicht oj) de sj)oorwegen, welke ambtenaar wordt aangewezen door het hoof(l van het toezicht, bedoeld bij artikel 10 der Sj)Oorwegwet.

Gedurende den in het tweede lid bej)aalden termijn kan ieder belanghebbende schriftelijk en, oj) een daartoe vooraf in een of meer nieuw.sbladen bekend te maken dag bij eene commissie uit Ge-