is toegevoegd aan je favorieten.

De locomotief; weekblad gewijd aan de belangen van spoor- en tramwegen, jrg 45, 1927, no 8, 23-02-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewone algemeene vergadering gehouden worden welke uitsluitend aan het punt in kwestie gewijd zal zijn.

De voorzitter van de ~Union” heeft van zijn recht gebruik gemaakt de wijze van stemmen aan te geven en bepa.ald dat deze plaats zal vinden door het eenvoudig inzenden van het aan ieder lid uitgereikte stembiljet.

Op deze wijze kan ieder, zonder de reis naar Brussel te ondernemen aan de stemming deel nemen. De stemming heeft betrekking op een wijziging van art. 2 der statuten. De 2e paragraaf van dit artikel luidt vertaald:

~Tot nadere beslissing van de algemeene vergadering, kunnen slechts de naties va.n de entente- en de neutrale landen tot de Union toegelaten worden.” Gestemd zal thans worden over de vraag of men deze paragraaf wil laten vervallen.

Het zal wel onnoodig zijn hier te zeggen dat geen enkel Nederlandsch lid mag verzuimen aan de stemming deel te nemen en dat ieder door het open laten van het vetgedrukte woordje ~Oui” zijn stem uitbrengt vóór de wijziging van het artikel 2.

Oe maximum-tarieven voor tramwegondernemingen.

Bij missive van 28 januari 1926 werd door het Rijkstoezicht op de spoorwegen tot verschillende tramwegen het verzoek gericht tot herziening der maximum-tarieven. l evens werd ter verkrijging van de grootst mogelijke uniformiteit den trams in overweging gegeven dit onderwerp in onderling overleg te behandelen. Als gevolg daarvan werd de aangelegenheid in handen gegeven van onze vereeniging. Deze heeft op 7 October jl. haar meening aan het Rijkstoezicht kenbaar gemaakt met het schrijven hetwelk wij hieronder afdrukken.

Het schrijven hetwelk de tramwegen ontvingen laten wij eraan voorafgaan.

No. 227/0* Afdeeling 11.

Onderwerp: Maximum vrachtprijzen.

’s-Gravenhage, 28 Januari 1926.

In verband met het oploopen der prijzen van brandstoffen en materialen en de stijging der loonen tijdens den oorlog, moesten destijds, evenals voor nagenoeg alle andere intercommunale tramwegen, ook Uwe tarieven worden verhoogd, en werd met het oog hierop tijdelijk en tot wederopzegging machtiging verleend om af te wijken van de voor het berekenen van vrachtprijzen en eventueel bijkomende kosten vastgestelde maxima.

Nu de prijzen van brandstoffen en materialen weder aanmerkelijk gedaald zijn en evenals ook de loonen naar het schijnt op een eenigszins vaster niveau gekomen zijn, en nu eenige tramwegondernemingen hare tarieven uit eigen beweging weer verlaagd diebben, is, ook volgens de zienswijze van den Minister van Waterstaat den tijd gekomen, om de maxima, waarvan thans nog tijdelijk mag worden afgeweken, te herzien.

Hoewel het van zelf sprekend te achten is, dat de nieuwe maxima niet voor alle tramwegen gelijk zullen kunnen zijn, zal er toch bij de herziening naar moeten worden gestreefd om daarin althans zooveel mogelijk uniformiteit te verkrijgen. Tot het bereiken dier uniformiteit althans voor naburige en onder nagenoeg gelijksoortige omstandigheden werkende ondernemingen, zullen naar het voorkomt de tramwegondernemin-

gen zelve door het plegen van onderling overleg veel kunnen bijdragen. f

Bij het ontwerpen der maxima zal in het oog gehouden moeten worden dat een te groote marge tusschen maxima vrachtprijzen ongewenscht is.

Ik heb de eer U te verzoeken mij een ontwerp van maxima voor de berekening van vrachtprijzen en van eventueele bijkomende kosten te willen doen toekomen, zooals die naar Uwe meening voor het vervoer op de(n) door U geëxploiteerde(n) tramweg(en) waren vast te stellen.

De Hoofdinspecteur-Generaal der Spoor- en Tramwegen,

w.g. A. H. W. VAN DER VEGT.

Amsterdam, 7 October 1026. 110 -* > /

Aan het Rijkstoezicht op de Spoorwegdiensten te ’s-Gravenhage.

In vervolg op dezerzijdsch schrijven van 22 Maart 1926 ter zake van Uwen tot verschillende leden onzer vereeniging gerichten brief dd. 28 Januari 1926 hebben wij de eer U alsvolgt te berichten.

Onze Vereeniging heeft bij hare leden een onderzoek ingesteld naar de thans geldende vrachttarieven, de basis waarop deze steunen, de door den Minister thans en in 1914 voorgeschreven maximum vrachttarieven alsmede naar het oordeel omtrent de wenschelijkheid van wijziging der thans geldende maxima.

' Als eerste resultaat van dit onderzoek zij medegedeeld, dat het niet gelukt is gegevens te verzamelen, die zouden rechtvaardigen Uw college voorstellen te doen en voor een of meer groepen van tramwegen gelijke maximum-vrachttarieven aan den Minister aan te bevelen, te minder indien daarbij Uw wensch in het oog gehouden moet worden, dat geen groote marge tusschen maxima en vrachtprijzen behoort te bestaan.

Dit resultaat behoeft niet te zeer te verwonderen, indien men zich er rekenschap van geeft hoezeer de intercommunale trambedrijven te kampen hebben in hun strijd om het bestaan, die bij voortduring hardnekkig gevoerd moet worden met de talrijke concurreerende verkeersmiddelen als automobielen, autobussen, vrachtauto’s, fietsen alsmede de talrijke vervoermiddelen te water ,en de hoofdspoorwegen. Ten gevolge van deze voortdurende concurrentie zijn de tramwegen gedwongen tot een moeilijken tarievenstrijd, die voor elke onderneming anders gevoerd moet worden en voor elke onderneming dan ook tot andere tariefresultaten kan leiden. Is uniformeering der tarieven dus uit den aard der zaak absoluut onraadzaam en onaanvaardbaar, ook het stellen van gelijke maximumtarieven behoort ontraden te worden, tenzij een inderdaad wèl ruimere marge tusschen maxima en tarieven mag worden aangenomen.

Het vaststellen echter van maxima die belangrijk hooger zijn dan de tarieven heeft niet veel belang, omdat de genoemde concurrentiestrijd automatisch dwingt ver onder die maxima te blijven.

Uit het voorgaande volgt naar onze meening, dat het vaststellen van maxima vrachttarieven voor de intercommunale tramwegen, die zeer zeker geen monopolistisch bedrijf hebben, als onnut dient te worden verworpen.

In dit opzicht schijnt de practijk als juist te bevestigen wat bij de totstandkoming van de Locaalspooren Tramwegwet als richtlijn aangaande de tarieven is gevolgd. Bij de totstandkoming van die wet toch heeft blijkbaar vóór gezeten de tramwegen geheel vrij te laten wat de vaststelling hunner tarieven betreft. In art. 5